Dit artikel is eerder gepubliceerd in het jubileumboek van de karperstudiegroep Nederland ter ere van haar dertigjarige bestaan in 2004.
Gelukkig is de karpervisser die de monsterkarper van zijn dromen niet vangt. En inderdaad wat een klungel moet dat zijn.
Over jubilea
Afgelopen jaar vierde ik mijn vijfendertigjarige bestaan op deze aardkloot, een jubileum waardig, maar voor mij en vele anderen ook een leeftijd waarop je terug begint te kijken op de resultaten van je leven. Dertigers ontkomen er niet aan; het lijkt wel genetisch vastgelegd. Bij vrienden op verjaardagsfeestjes gaat het al snel over hoe het vroeger was en in ons geval betekent dat een terugblik op de edele kunst van het hengelen. Het blijkt dan zonneklaar dat het voor ons een zeer plezierige tijd is geweest. Toch karperen de “Vissers van Elden” allang niet allemaal meer en diegenen die zijn overgebleven doen dat zeker niet met die bevlogenheid van vroeger. Legio zijn de oorzaken die daaraan ten grondslag liggen. Enerzijds werd het vissen minder interessant, anderzijds werden zaken buiten het vissen interessanter. Het verleden echter wis je niet uit, en ik moet zeggen dat karpervissen veel invloed heeft gehad op keuzes die ik later heb gemaakt en op zaken waar ik nu nog mee bezig ben. Of dat altijd positief heeft uitgepakt is een heel andere vraag, feit is dat het zo is. Anders gezegd: karpervissen heeft mijn levensrichting bepaald, heeft me voor een belangrijk deel gevormd en de dingen die ik nu doe kun je zo vertalen naar het hengelen, al hebben ze er op het eerste gezicht niets mee te maken. En voor ik het vergeet: ik hengel nog steeds en weer met toenemend plezier.
Even voor de goede orde: ik volg al vrij lang het karpercircus niet meer. Een betere tip dan deze kan ik de “oude rotten”, die de karperhonger van de huidige generatie niet bij willen of kunnen benen, niet geven om plezier te blijven houden in hun hobby. Karperboeken koop ik nog wel en De Karper lees ik altijd trouw, maar voor de rest waait alles langs me heen. Het liefst ook praat ik niet meer met andere vissers en gelukkig laten zij mij meer en meer met rust. Dit vrijwillige isolement leidt er wel toe, dat hieronder misschien uitspraken staan die totaal achterhaald zijn.
Ik heb er niets anders voor hoeven doen dan te blijven ademen om jubilaris te worden. Dat geldt voor veel organisaties: ze doen hun ding, ongemerkt verstrijkt de tijd, oppervlakkig gezien verandert er niets, en plots is daar een jubileum, zo ook dat van de Karper Studiegroep Nederland (KSN). En aan deze club wil ik hier een paar woorden wijden.
In de beginjaren van de KSN werd er veel geschreven over Boeren- versus gekweekte karper. Er woede een heuse stammenstrijd. Een stelling was dat door uitzetten van edelkarper de Wilde karper aan het verdwijnen was – (of is?). Grappig om drie decennia later vast te stellen dat er alles aan gedaan wordt om juist spiegelkarpers voor een ondergang in het Nederlandse water te behoeden, toch het paradepaardje onder de doorgefokte karpers. Gelukkig gebeurt het uitzetten van deze karper variëteit met gezond verstand waardoor in elk geval bij mij in de buurt het verschijnsel karperput niet meer bestaat. Toch vraag ik me af wat nu de status is van de Wilde karper. Is die in Nederland al uitgestorven? Zouden we geen moeite moeten doen, en hebben we ook niet de verantwoordelijkheid om deze oerkarper voor Nederland te behouden? Wat te denken van een paar Boerenkarperprojecten?
Een volgende fase in De Karper betrof de introductie van de boilie en de discussie over de voors en tegens daarvan. Was het überhaupt wel sportief om daar mee te vissen? En dan die ongekend heftige discussie over de voedingswaarde van die balletjes in relatie tot de vangsten. Dat die discussie uiteindelijk in het voordeel is beslecht van het Junge – De Baets kamp lijkt me duidelijk. Het was fascinerend dit alles te lezen, vooral omdat wij in Elden enige voorkennis hadden, doordat Carpfever van Maddocks al heel snel in ons clubje circuleerde. Ondanks dat wij door die nieuwe technieken in die periode heel goed vingen, hebben wij zelden enorme slachtpartijen aangericht, al hebben we achteraf gezien destijds wel zo’n beetje alle grote karpers bij ons in de buurt gevangen. Het begrip groot is echter sterk aan inflatie onderhevig, laat dat duidelijk zijn. Ik denk dat wij voor het realiseren van extreme vangsten gewoon te lui waren, te snel tevreden met de toch al imposante resultaten. En dat die resultaten kwamen, zal een ieder die de overstap uit het Walker-, Hiltontijdperk naar het Maddocks-, Hutchinson-, Yatestijdperk heeft meegemaakt kunnen beamen. Je verliet als het ware in een klap het stenen tijdperk van de karpervisserij om in de moderniteit terecht te komen.
Als persoon en woorden-kunstenaar was Chris Yates voor mij de man, de aanpak van Kevin Maddocks en zijn meer dan goede vangsten verdienden echter ook navolging. Achteraf gezien kregen we daar toch al vrij snel genoeg van. We gingen vangen in plaats van hengelen. Je kon met andere dingen bezig zijn en toch karpers vangen, …. slapen bijvoorbeeld. Weg waren die lange nachten met grote ogen van het staren naar je wakertje en die pijn in je kop de volgende dag door het verstoorde bioritme. Gedaan was het met de kunst, met de charme, want zonder inspanning geen voldoening. Een waar gezegde.
Kamperen aan de waterkant, ….. het was prachtig. Destijds was het relatief veilig en door het pionieren spannend, ook voor de omgeving. Nu mag je blij zijn als de volgende dag je hengels nog in de steunen liggen en zien veel mensen je liever gaan dan komen. Ik kampeer nog steeds graag, maar dan ergens richting de noordpoolgrens op plekken waar voor de rest nauwelijks iemand komt.
De fase waarin de KSN nu verkeerd heeft vooral betrekking op belangenbehartiging. Van een in zichzelf gekeerde organisatie, wil men – of negatief gesteld: moet men – nu de strijd aan met andere watergebruikers om het karpervissen veilig te stellen. Het komt op mij over dat de KSN in deze flink aan de weg timmert en resultaten behaalt waar andere hengelsportorganisaties een voorbeeld aan kunnen nemen. Ga zo door zou ik de huidige voortrekkers willen zeggen.
Over het vangen van karpers
Ruim dertig jaar vertoef ik aan de waterkant met een hengel in de hand, zeg maar sinds de oprichting van de KSN. Toentertijd viste ik rondom Elden en dat doe ik nog steeds. Het is toch het mooist om op je fietsje naar het water te kunnen en bijna dagelijks je ronde te kunnen maken. Bovendien ligt hier afwisselend water zat, waarin ook nog eens karpers rondzwemmen in elk gewenst formaat – er doen zelfs geruchten de ronde over een vijftigponder! Zoveel water zelfs dat het meerdere levens zou vergen om ze alle goed te kunnen bevissen. Van stadsgrachtjes tot Rijn, van besloten wielen tot uitgestrekte baggergaten en van een simpele fortgracht tot enorme zandafgravingen.
Dertig jaar geleden werd er binnen de KSN over karper geouwehoerd, dat gebeurt nog steeds en daar is niets mis mee. En gezien de vangstverhalen wordt er nog steeds goed gevangen. Het is echter onzin te stellen dat er in die dertig jaar niets is gebeurd. Verre van dat….. Dertig jaar van studie betekende de dood van de karper, de mythische karper wel te verstaan. In deze relatief korte periode is de strijd tussen vis en visser gestreden. En dat durf ik gerust jammer te noemen. Daarvoor in de plaats ontstond een strijd tussen vissers onderling en ik pas ervoor om in deze competitie mee te gaan. Dit is een strijd, die naar hetgeen ik gehoord heb zelfs een enkele keer beslecht wordt met (vuur)wapens. Het enige geluk (bij een ongeluk?) is dat karpers redelijk snelle leerlingen blijken, waardoor er toch een zweem van strijd tussen David en Goliath blijft bestaan – aan u om uit te maken wie u als Goliath ziet.
Dat de karper wordt overwonnen staat vast, de enige variabele is tijd, en misschien de hoeveelheid te investeren geld (en moeite). Het predikaat “onvangbaar monster uit peilloze diepten” is niet meer op deze vis van toepassing. En wie had dat kunnen denken, toen ik ruim twintig jaar geleden mijn eerste moeizame pogingen waagde om een karper te vangen en wenste dat ik meer kennis had. Nu heb ik die en besef ik dat je ook teveel kunt weten. Dat het te makkelijk wordt. Dat de eenzame gek uit oude tijden – druk filosoferend over het leven zelf en een illustere droom najagend – van de waterkant verdreven is, door een sociaal circus dat vissen vangt met gewichten die in zijn tijd ondenkbaar waren, sterker nog waarvan hij niet eens durfde te dromen………
Ik vis, en karper nog steeds. Het zal duidelijk zijn dat de instelling en gedachte erachter nu wezenlijk verschillen met die van toen. Wat niet wezenlijk is veranderd is mijn manier van vissen. Ik doe het op mijn manier, waarvan ik denk dat ik er goed in ben – wat een ander er ook van mag vinden. Daarbij, dingen waarin je goed bent, zijn leuk om te doen. Dat betekent in mijn geval veel visuele visserij – aan het oppervlak of met de pen en op karpers die zichzelf hebben verraden voordat ik ze mijn aas presenteer. Daarnaast geldt grotendeels een verbod op boilies en zeker een verbod op alles dat naar vastlood riekt. Al is het onzin te stellen dat je met vastlood niet actief kunt vissen en boilies niet onder de haak van een penhengel behoren.
De mythe
Ik benijd degenen die nu met karpervissen beginnen niet. Om twee redenen: het onbekende, de mythe is weg, en vanwege de emotieloze vismethoden die nu gebruikt worden. Om met het eerste te beginnen: er is een tijd geweest waarin ik dacht dat in elk water een onuitputtelijke hoeveelheid vis zat. In elk water zwommen die gewilde dertig- en veertigponders. Die waren echter zo zeldzaam en zo slim, dat ze A: eigenlijk onvangbaar waren en B: voordat je er een kon vangen je je tenminste door ontelbare kleinere karpers heen moest worstelen, die voor ons ook al bijna niet te verschalken waren. Dit was een geweldige tijd met hooggespannen verwachtingen, altijd een kans op een monster, scenario’s in je hoofd wat te doen mocht je er een haken en met vragen als: ben ik met deze hengel wel in staat een dertigponder te bedwingen? Er bestond echter altijd een kans en dat was voldoende om door te zetten en reden genoeg om je hengelkunst te perfectioneren. Toen zaten voor mijn gevoel de grootste karpers in dat inktzwarte water van het in een bos gelegen Westerveld. Daar hing in die tijd wel zo’n geladen, donkere sfeer dat je er haast bang van werd en derhalve een ideaal toevluchtsoord vormde voor een mythisch wezen. Kortom, het was een tijd van gelukzalige naïviteit en van weinig vangen.
Nu, in tijden van namen en de daaraan gekoppelde gewichten, en waarin het besluit om ergens te gaan vissen afhangt van het antwoord op de vraag: of De Domme of Den Groten daar nog wel rondzwemmen of toch weer verhuist zijn, moet je drive toch ergens anders vandaan komen. Overigens heb ik zelf erg meegedaan aan de ontmythologisering van de karperbestanden bij mij in de buurt. Ik heb vissen namen gegeven zodat het herkenbare individuen werden en hun eigen specifieke eigenaardigheden naar voren kwamen. Ik heb hun personalia in databases gestopt en de boel ook nog eens gepubliceerd – het was zogezegd mijn eigen kleine spiegelkarperproject. Ik was niet wijzer en toen nog gold wetenschap bij mij als het hoogste goed. Nu krijg ik de kriebels bij alle mensen die dingen tellen: vogels, libellen, vlinders, bloemen etc. Van die wetenschappers die zo de natuur willen redden. Naar mijn mening kun je niet meer van natuur spreken als je het telbaar hebt gemaakt, dan is het verworden tot iets. Iets wat valt te sturen, iets waar je controle over hebt, iets wat je kent en iets wat dus niet interessant meer is.
De nu in gang gezette spiegelkarperprojecten doen dit in het groot. De registratie van alle vangsten, zal ondanks de goede bedoelingen, uiteindelijk wel de doodsteek betekenen voor het laatste restje geloof in verborgen grote karpers – in het bestaan van zo’n laatste der Mohikanen.
Om terug te komen op de tweede reden: de gebruikte vismethoden. Op het gevaar af nu voor een ouwe lul uitgemaakt te worden: vroeger moest je vissen echt leren, je doorliep als het ware een hele school. Je begon met een vaste stok, ving voorntjes, verspeelde “gigantische” brasems aan je voorntuig en pas wanneer je deze visserij enigszins onder de knie had, kreeg je die werphengel waar je al heel lang om zeurde en die de weg opende om met die zelfgevangen voorntjes of flitsende blinkers levensgrote snoeken te gaan vangen.
Nu moet je vissen nog steeds leren. De gestelde vragen zijn echter anders. Hoe stel ik die drie identieke hengels zo netjes mogelijk in slagorde op? Hoe krijg ik mijn aas vijfhonderd meter weg? Hoe bedien ik die buitenboordmotor? Hoe werkt zo’n radiografisch bestuurbare boot voorzien van GPS en uitgerust met een dieptemeter annex visvinder? Waar kan ik een alarmuitrusting krijgen, zodat ze me de hengels niet weg jatten als ik in mijn Dome lig te maffen etc? Ieder zijn meug en elke tijd zijn eigen vaardigheden. Ik zal nooit leren om op vijfhonderd meter afstand te vissen, de ander zal waarschijnlijk niet (willen) leren hoe je een tuigje scherp uitlood of hoe je een haak met bledje aanknoopt. Ik heb het idee dat het karpervissen door deze methoden – ook figuurlijk – afstandelijker is geworden en aan spanning heeft ingeboet. En dat is hetgeen ik er op tegen heb.
Buiten de harde leerschool van de praktijk viel en valt er heel wat te leren uit boeken en tijdschriften. Jan Schreiner, de autoriteit op hengelsportgebied in die tijd, schreef hele verhandelingen over de verhouding tussen haak, lijn en hengel en had die materie tot in kleinste detail uitgediept. Daarbij hanteerde hij de slogan “sportief vissen, geef de vis een kans”. Daarop valt nog wel wat af te dingen maar de uitwerking “vis zo licht mogelijk” was wel degelijk van toepassing. Lichter vissen betekende destijds immers meer aanbeten en mits je meester was van je hengelgerei leverde dat ook meer vis op. En juist dat meester worden over je hengelgerei kan tot grote kunst leidden. Een zo’n kunstenaar is Chris Yates. De meester van de splitcane, en wat schrijven over hengelsport betreft kent hij zijn gelijke niet – maar dit terzijde. Ik vind het prachtig dat juist hij het Engelse karperrecord zolang in handen heeft gehad. Yates haakte af bij het gebruik van moderne elektronica als een Optonic. Ik heb mijn oude originele Optonics nog. Ze doen het vaker wel dan niet, en juist de momenten waarop ze het niet doen en toch de waker naar het startoog snelt zorgen ze voor soms plezierige verrassingen en in elk geval voor spektakel.
Zelf ben ik erin geslaagd om met achttienhonderdste en een soortement van vlokhengel waarmee ik midden tussen bedden waterpest aan het zeelten was mijn eerste twintigponder te vangen. Bewust viste ik eens op een bekende dertigponder met een reeltje, mijn 1 ½ Lbs Alan Brown glashengel en 18/00 lijn. Die vis wist ik inderdaad zo te vangen. Ik hoef niet uit te leggen dat zulke drils het uiterste van je vergen. Hoe stuur ik de vis weg van gevaarlijke plaatsen en bovenal hoe houd ik de boel heel? Ik moest het wel leren en ik vraag me af of dat nu nog moet. Bij de nu geldende norm: een driepondshengel, minimaal 35/00, soms nog Dyneema ook, is het enige dat nog mis kan gaan (tenminste in de wateren rondom Elden) als je een karper hebt gehaakt is dat ie losschiet – of vastgeraakt in een ondergelopen woud in een stuwmeer alwaar dit hengelgerei te rechtvaardigen is, zo lees ik in boeken en artikelen van mensen die het weten kunnen.
Ik werd nog niet zo heel lang geleden meewarig aangekeken door het personeel van een hengelsportzaak, voornamelijk gericht op karpervissers, toen ik na een aantal jaren bijna niet gevist te hebben, weer wat spulletjes moest vervangen die nodig zijn voor mijn visserij. Zij bleken die spullen overigens niet te hebben en evenmin een goed alternatief – “karpers kun je toch niet vangen met 22/00″. Ik vraag me meewarig af wat de lol is om een karper van pak ’m beet vijfendertigpond met kabeltouw binnen te draaien als ware het een vette brasem. Maar goed onderlijn en boilies maken het mogelijk, en het opperste genot is immers het bezit van zoveel mogelijk ponden.
Het is dwaas te ontkennen dat ik dat genot niet heb gekend. Het doet alleen, met de kennis die ik nu heb, zo dom aan. Vissen die ik ooit ving, die de topvissen waren van bepaalde wateren en waar ik dolblij mee was, wogen destijds zo’n beetje vijfentwintig pond. Diezelfde vissen wegen nu tussen vijfendertig en veertig pond! En hoe komt dat? Het lijkt wel een self-fulfilling prophecy. Karpervissers gaan voeren, de vis wordt zwaarder, dus interessanter voor nog meer karpervissers, er komt nog meer voer in het water, de karper komt nog wat pondjes aan, en zo wordt een spiraal in werking gezet. Maar dat je nu echt beter moet kunnen vissen vanwege die extra vijftien pond? Ik denk het niet.
De huidige kennis omtrent het vangen van karpers is kundig vastgelegd in de werken van Groothuis en De Baets. Meer omtrent deze materie dan wat in deze boeken staat zou ik zeker niet willen weten. Overigens heb ik het boek “De Dunne Lijn” van De Baets met veel plezier en instemming gelezen. Met terugwerkende kracht herkende ik zoveel in zijn theorieën en observaties dat ik meermaals dacht: daar kun je weleens heel goed gelijk in hebben. De Baets reeg als het ware de losse flarden informatie aan elkaar die bij mij ergens rondzweefden, maar waarvan ik nooit echt de juistheid heb getoetst omdat ik daar veel te lui voor was en ik op dat moment toch al tevreden was met mijn vangst.
Het vervolg op karpervissen
Karpervissen was mijn route naar avontuur, mijn ontdekkingsreis naar het onbekende. Het einddoel – de vangst van een monsterkarper – werd gehaald en daarmee werd een hoofdstuk afgesloten. De hang naar avontuur en het genieten van de schoonheid der natuur bleef echter bestaan. Het karpervissen leerde me kijken, leerde me observeren en verbaasde me keer op keer. Nu houd ik me vrij intensief bezig met natuurfotografie. Een logisch vervolg op het vissen. Nog steeds staat een element van jacht centraal, nog steeds zijn daar de pogingen om een situatie naar je hand te zetten om zo de voorwaarden te scheppen voor in dit geval een perfecte foto. Het maken van een geslaagde opname nu staat gelijk aan de vangst van een grote vis toen, en het missen van een goede plaat staat gelijk aan het losschieten van een onzichtbare karper.
Reizen werd ook letterlijk een passie. Ik heb maanden durende reizen gemaakt op IJsland en in Noorwegen. Met de fiets op weg naar het onbekende. Ik heb IJsland doorkruist met diverse vliegenhengels achterop mijn BOB-trailertje. Al die tijd in IJsland heb ik nooit de behoefte gevoeld om mijn hengels daadwerkelijk te gebruiken. Dit klinkt toch vrij onwaarschijnlijk voor iemand als ik die ooit zo’n fanatieke hengelaar was. De natuurfotografie had het op dat moment klaarblijkelijk gewonnen.
Het indrukwekkendst op IJsland was het kamperen. Kamperen aan de waterkant tijdens het vissen was, en is, natuurlijk geweldig (al begin ik er niet meer aan). Half slapend die vissen drillen, ’s nachts die koelte de brolly in voelen kruipen, ’s morgens wakker worden in een berijpte tent of in een dichte mist…., natuurlijk is dat mooi. Wild kamperen in een ware wildernis is echter nog veel mooier. Op IJsland heb ik echte stilte ervaren. Een stilte die angstaanjagend is, wanneer je tijden echt helemaal niets meer hoort – geen zuchtje wind, geen kabbelend stroompje, geen branding, vogels of andere beesten. En dan plots die hartverscheurende kreet van een Roodkeelduiker die weergalmt tussen de ijsbergen, daar krijg je pas echt de rillingen van. Complete stilte, kom daar in Nederland maar eens om.
Of in Noorwegen, oog in oog met een kudde Muskusossen. Het geeft een onbeschrijfelijk goed gevoel wanneer je je angst voor deze levensgevaarlijke beesten overwint en ze – in open terrein en je dus geen kant op kan – openlijk durft te benaderen om binnen hun “veiligheidszone” te komen, daar geaccepteerd te worden en ze vervolgens te fotograferen.
Wat heeft dit nu met karpervissen te maken? Voor u misschien niets, voor mij alles. Het is het logische vervolg op mijn karpervisserij. Op zoek naar nieuwe monsters, nieuwe uitdagingen, net als vroeger in die geheimzinnige diepten van het Westerveld, maar nu in een omgeving waar trollen, elven en draken zouden kunnen bestaan. Het is ook een zoektocht naar verwondering en inspiratie, en een hang om getroffen te worden door de schoonheid van plaatsen waarvan je kunt zeggen dat daar nog natuur is.
Karpervissen heeft me gevormd stelde ik al. Het leerde me geduld oefenen, het gaf me een harde les in doorzetten en het liet me het belang van details inzien. Het schrijven van stukjes over vissen gaf me een nieuwe hobby: het worstelen met tekst. Al deze zaken brachten me op een punt, naar wat ik, mijn leven tot nu toe overziend, als mijn grootste prestatie beschouw: het vertalen van de Oud-IJslandse Saga van Grettir de Sterke. Het onwaarschijnlijke gevolg van mijn karpervisserij.
Net als het bereiken van je bestemming niet het doel is van reizen – het is slechts een middel -, zo mag het najagen van je droomkarper nooit het doel op zich zijn. Vroeg of laat vang je die zestig-, zeventig- of tachtigponder in Frankrijk, Roemenië of Zuid-Afrika. De weg naar dat succes zal best mooi zijn geweest, maar wat dan? Je doel is bereikt, stop je dan met vissen? Of kun je het opbrengen om door te gaan. Het is toch ook onzin om te stoppen met lezen, zodra je Laxness’ “Onafhankelijke Mensen”, Eco’s “De Slinger van Foucault” en Gardners “Grendel” gelezen hebt. Zo gauw je beseft, dat het najagen van een droom het middel is om te blijven hengelen, pas dan heb je een excuus om lekker aan de waterkant te kunnen blijven niksen, of Luimelen – zoals Joris Weitjens het noemt, en die karper juist niet te vangen. Dan ook zul je je leven lang een hengelaar blijven. Want hengelen is om veel redenen te mooi om op te geven. Maar wat als je je droom hebt verwezenlijkt? Bedenk dan een andere, ga bijvoorbeeld eens achter de zeelt aan.
Aan de waterkant, 2003
Vaak is geprobeerd uit te leggen waarom iemand eigenlijk vist. En het zal u niet verbazen dat er tal van redenen zijn. Dit jaar werd ik wel heel erg met mijn neus op de feiten gedrukt. Hengelen is een soort van Zen, een soort Yoga, een soort van mediteren, maar dan voor de gewone man. Ik kwam tot deze conclusie door de plotselinge ziekte en kort daarna het overlijden van mijn vader. Kanker had hem te pakken gekregen en toonde al gauw zijn ware en wrede gedaante. Een paar uurtjes staren naar een dobber bewees de ideale manier te zijn om die hele shitzooi voor een moment kwijt te raken en de gedachten eens rustig te ordenen.
Het was nog voor de tijd dat ik zelf op karper viste. Mijn vader en ome Mart trokken er toen al wel op uit om eindelijk eens zo’n lijnenbreker en hengelverkrachter te vangen. Dat moest gebeuren met een weekendsetje die als bijlegger gebruikt werd. Aas was ongetwijfeld een aardappel of een bal roggebrood. Of daar nu werkelijk stroop en brandewijn doorheen gingen weet ik niet meer. Feit was dat ze in het Westerveld, destijds het perfecte jachtterrein, af en toe daadwerkelijk een karper haakten. Het eind van het liedje was echter steevast een gebroken lijn. De mythe groeide alleen maar.
Op een avond, toen ik al lang en breed in bed lag, belde er een schoolvriendje aan: Anjo Bosman – en wat zou er in hemelsnaam van hem geworden zijn? Mijn vader had een karper gevangen en of ik maar even wilde gaan kijken. Het beest zal een centimeter of vijftig geweest zijn, niets bijzonders, maar voor ons was het een brok goud. Ik geloof niet dat hij later ooit nog een karper gevangen heeft.
Maar onze ervaringen kwamen hem wel goed van pas. Op mijn aanraden ging hij tijdens de clubwedstrijden van HSV Elden met kattenvoer vissen. Deze wedstrijden werden gehouden in de kolk van Knuiman en een van de regels was dat er niet gevoerd mocht worden. Gevist werd er op gewicht. Gewoonlijk waren de vangsten gedurende wedstrijden dramatisch slecht. Met een flinke brasem en al helemaal met een zeelt was je gegarandeerd winnaar. Kittekat of Tom Poes brokjes deden nu de truc voor mijn vader en een paar andere ingewijden. Brasem en zeelt bleken er dol op en regelmatig mocht hij zich nu winnaar noemen. Hun succes was zelfs zo groot dat kattenvoer als aas bij de eerst volgende vergadering verboden werd! Gelijke kansen voor iedereen was het motto.
En dan Meinerswijk, ik leerde er vissen en viste er ook vaak met mijn vader en mijn ooms. Dit jaar zou hij met de VUT gaan en weer tijd maken om te gaan vissen. Daarom nam hij weer een vergunning. Helaas heeft hij er geen gebruik van kunnen maken. Om de cirkel rond te maken wilde ik er na al die jaren nog een keer met hem naar toe. Dat is niet gelukt, de ziekte was agressiever dan iemand ooit kon vermoeden.
Ondanks alles viste ik vrij veel in 2003. Niet in die gracht honderd meter bij mijn huis vandaan met een paar zeer begerenswaardige vissen daarin. Nee, de tijd om vrijwillig in een hopeloos troosteloze omgeving en in de hondenpoep te gaan zitten voor een karper is voorbij – al betreft het een honderdponder. Uit nostalgie, nieuwsgierigheid en om aangenaam te kunnen verpozen koos ik voor mijn oude rustieke thuiswateren: Knuiman en het Hoefijzer. De tijd om alleen gericht op karper te gaan is ook voorbij. Ik gebruikte daarom methoden waarbij een grote kans bestond dat ik zeelten en brasems zou vangen. Ik wilde dat de wakers geen moment stil zouden hangen en die pen of liever nog baarsdrijvertjes geen seconde rust zouden hebben. Ik had mijn zinnen gezet op heuse vloermatten en vette zeelten.
En wat ging het goed! De eerste sessie verbrak ik in Knuiman direct mijn persoonlijk record zeelt! De gezoete maïs bleek de volgende weken nog steeds – en steeds weer – wonderen te verrichten, en diverse zeelten, omlijst met de nodige goudbruine brasems vonden hun weg naar het net. En hoezee, de karpers lieten zich ook niet onbetuigd. En sterk dat ze waren op mijn relatief lichte penhengel! Wat scheurden die torpedo’s door de slip. Wat jankte die lijn door de ogen. Karpers van dik in de tachtig centimeter, maar nog geen achttien pond, lieten zien wat echte sport is. Het leken wel boerenkarpers, maar goed wij weten wel beter.
Na het snelle succes in Knuiman moesten net als achttien jaar geleden de bakens verzet worden. Het Hoefijzer was een nog maagdelijk zeeltwater. Ik niet, en ook Henk niet, destijds mijn partner in zeeltcrime, hadden er ooit een zeelt gevangen. Ook Roy niet, die daar wel een paar dikke platten van meer dan zestig centimeter had gevangen. Roy had ooit in het Grote Plompenveld wel een gigantisch grote zeelt zien zwemmen, al gauw zestig centimeter schatte ie. Met dit soort informatie was ik weer op het punt aanbeland waarop we zo’n achttien jaar geleden het karperen hier ontdekten. Vol verwachting van grote vissen, een totale onbekendheid omtrent de populatie en geen idee hoe ze te vangen en daardoor een uitdaging. Ik kan me maar twee zeeltvangsten in het Hoefijzer herinneren. Een van Guido, midden in de nacht met een bal kattenvoer en een van André Kip (in alle Belgische karperboeken kom je hem tegen), beide vissen rond de vijftig centimeter en het lijkt al weer eeuwen geleden dat ze op de kant kwamen. De zeelten en brasems zullen ongetwijfeld ook hun voordeel hebben gedaan met het door karpervissers verstrekte voer. Dus ik was echt klaar voor een verrassing
Het Hoefijzer lijkt een waar zeeltparadijs. Mooie met kalmoes bezette oevers, veel gele plomp en afwisselend jaren met heel veel waterpest en jaren met wat minder. Ideaal zeeltbiotoop derhalve. Ik heb ze ook zelf zien zwemmen dus wat belette me om ze te vangen?
Maïs moest het worden. In Knuiman liep dat uitstekend en bovendien waren de Hoefijzerkarpers erop gedresseerd. Van die dikbuiken zou ik dus geen last hebben, al had Roy daarover andere gedachten – zonder overigens mijn aas te kennen. ’s Middags had ik wat voerplekjes aangelegd in het Kleine Plompenveld. Stek één toonde geen teken van leven. Stek twee aanvankelijk ook niet. Toen bewogen de blaadjes, verschenen er belletjes, een dubbelspoortje fijne belletjes. Een beeld dat me terugvoerde naar het verleden. Fijn, dat was dus een karper. De breedte tussen de spoortjes geeft ongeveer de breedte van de kop van de karper aan (echter, de kunde van het bellen lezen en de wetenschap van het stengel kijken dienen in dezelfde categorie te worden opgenomen als het theeblaadjes lezen en het glazen bol staren). De vis zat nog zo’n drie meter weg. Ik sloeg daarom twee seconden later in volste vertrouwen aan toen mijn pen wegdook er rotsvast van overtuigd dat het nooit die karper kon zijn.
De vis kwam omhoog voelde in eerste instantie aan als een platte, toen als een zware platte, misschien toch een zeelt en vervolgens toonde het zijn ware aard. Die run van vijftig à zestig meter door de plompen en de daarop volgende lijnbreuk waren geen verassing. Zo ging het daar vroeger ook met die 1 ½ Lbs hengeltjes. “Onvangbaar” werd daarna het credo. Minder leuk was dat de vis met -tig meter lijn achter zich aan zwom. Het verspelen kon me verder niet schelen, enorme kans dat ik die vis al eerder in handen had gehad – maar het zal toch eens de Lange Spiegel geweest zijn! De enige ontbrekende op mijn lijstje! Enfin, na 1 ½ uur vissen met maïs wist ik dat die maïsdressuur niet speelde en dat ik nog wel meer karpers zou gaan haken. Wellicht is er na ons niemand meer geweest die het daar met zoete maïs heeft geprobeerd.
Mijn lijn vond ik na goed zoeken enige dagen later terug. Gelukkig had de karper zich van de haak ontdaan.
De karper stond op punt van paaien. Twee uurtjes achter een kalmoes kraagje leverde geen beet op. Wel ontdekte ik de eerste Hoefijzer zeelt(en) van dit seizoen die tussen de kalmoestengels aan het klooien waren. Ze lieten zich niet verleiden. Nog even een stek in Knuiman afvissen alvorens naar huis te gaan. Binnen vijf minuten leverde dat een lange strakke karper op. Zo doe je dat, dat zeelten…..
De volgende ochtend voerde ik eerst in Knuiman, daarna in het Hoefijzer. Het Hoefijzer leek compleet dood, in elk geval het kleine veld. In de Winterbocht van Roy aasden – verrassend – twee karpers, getuige de enorme bellensporen. Vooraan in het Grote Plompenveld was het bruiloftsfeest in volle gang. Groepje karpers sloegen de plompenbladen aan gort met hun staarten. Het blijft een genot om dit spektakel te aanschouwen en een ding is zeker: na de orgie willen ze vreten, dat wisten zelfs de Romeinse keizers al. Maar of ze ook tijdens het liefdesspel iets wilden nuttigen is me nooit helemaal duidelijk geworden. In het ene water kon je ze absoluut niet vangen maar elders lukte het nog weleens. Hoe dan ook, ik had geen business met karper, zeelt was de afspraak of anders toch een vloermat.
Nu had ik een theorie. Die karpers vertroebelden het water, wierpen grote stofwolken op en maakten van alles op de bodem los. Daarover heen lieten ze eiwitrijke kost achter dat voor nageslacht zou moeten zorgen. Op die gedekte tafel moest vis afkomen, althans dat vond ik. Ik strooide een blikje maïs uit in het zog van de karper.
Daarna viste ik de stekjes in Knuiman af en ving een zeelt en een nieuw persoonlijk record brasem. Een eeuwenoud record sneuvelde. De dag was al goed, nu dat verrekte Hoefijzer nog. Tien minuten later op het eerste stekje aldaar…… belletjes. Zou van alles kunnen wezen. Voor de zekerheid toch de zware karperhengel, mijn splitcarbon, maar gepakt. De belletjes dansten rond mijn drijvertjes. De drijvertjes verdwenen…. en ik had mijn volgende persoonlijke record brasem! De zestig centimeter grens kwam nu wel heel dicht in de buurt. Zeven meter verderop op een ander stekje was het snel opnieuw raak. Een brasem die mijn oude record ook dik verbrak. Vanwaar ineens al die grote brasems op nog geen vijfenzeventig centimeter water? Zou mijn theorie soms kloppen? Nu alleen nog zo’n groene duivel. Dat moest vandaag toch kunnen, het momentum was goed. Er was een probleem, ik had nog slechts tien korreltjes maïs in het blikje.
Ondertussen gingen de karpers door waarmee ze die ochtend begonnen waren, al nam de intensiteit wel af. Ik verkaste weer zeven meter terug, liet de drijvertjes zakken en zat daar maar wat zonder me zorgen te maken over verder vangsten. Af en toe lieten zich wat belletjes zien. Een groepje karpers, naar het zich liet aanzien met alleen oog voor elkaar, denderde plots recht op mijn drijvertjes af. Dat zouden lijnzwemmers worden, de drijvers bewogen zich, gelukkig gleed de lijn van hun lichamen af. Voordat ik het in de gaten had keerden de vissen en kwamen ze langs dezelfde weg terug. De drijvertjes bewogen, gleden mee in de richting van de verdwijnende vissen en gingen met flinke vaart onder. Wat te doen? Ik kon niet geloven dat een karper daadwerkelijk mijn maïs had opgepikt – al was het wel toevallig dat ze omkeerden en terugkwamen. Echter, als ik op zou halen zou ik een grote kans hebben een vis vals te haken. Ik hoopte dat de lijn er weer af zou glijden……
Op dat moment begon de hengeltop door te buigen, steeds dieper en dieper. Door de langzaam toenemende druk kwam de vis omhoog. En warempel, deze had wel degelijk de haak in zijn bek! Ik sloeg aan en de karper was totaal overrompeld. Het landingsnet verdween direct richting vis. Helaas bleef het achterste deel van het net achter een paaltje aan de oever haken. De karper lag inmiddels voor een kwart boven het net waar geen beweging meer in was te krijgen. Horror, de haak die voor in de lip zat, raakte vast in de mazen. Nu kon ik niet voor of achteruit en al had ik het zo niet eerder meegemaakt, dit was het ultieme scenario om een vis te verspelen. Een keer met de kop schudden was genoeg…. Het stomme beest deed echter niets. Hoe je zoiets precies klaarspeelt weet je achteraf niet meer. Ik trok het net los van het paaltjes. Met een onwaarschijnlijke beweging kreeg ik het net vervolgens iets verder onder de vis. Het was nog een soort van anti-climax ook. Ik had daadwerkelijk die enorme Hoefijzervis in mijn net zitten. Het hele verhaal zal nog geen tien seconden geduurd hebben. Zolang duurde het om weer een persoonlijk record scherper te zetten……. en het was niet eens Lobje.
Een super dag jawel. Maar het zou beter zijn geweest wanneer mijn vader beter had kunnen worden……. Tot zijn overlijden verliep het seizoen wat vangsten betreft ideaal. Na de begrafenis kwam de klad er in. Aan zijn begrafenis trouwens zit ook nog een verhaaltje vast. We weten allemaal wat voor zomer we gehad hebben. En net op het moment dat we van huis naar de kerk lopen begint het te gieten! Onvoorstelbaar, de hele stoet gevangen in een grijze waas. Na de dienst scheen de zon weer volop – dat zet je toch aan het denken nietwaar? De enige vermeldingswaardige vangst daarna is die van een Roodwangschildpad. Met maïs, gehaald van twee meter diepte. Wat mensen toch bezield om die beesten aan te schaffen en uit te zetten, Joost mag het weten. Daarna heb ik vele uren voor Jan Joker naar mijn drijvertjes zitten turen. Zalig die twee witte bolletjes en die paar vierkante meter water in mijn gezichtsveld. Meer heb je niet nodig. De geest raakt leeg, de kop wordt weer helder en het is heerlijk om gewoon helemaal niets te moeten. Het is okee zo. Dit is de kracht van hengelen.
Nu begrijp ik die oude mannetjes die god ganse dagen niets zaten te vangen. Goh, wat waren dat in mijn ogen slechte vissers! Ik wist wel honderd keer zoveel te vangen dan zij, wat heb ik om ze gelachen. Maar zij hadden die wijsheid al verkregen – het vangen van vis als doel van hengelen is een totaal zinloze exercitie – en net als hen interesseert het me tegenwoordig eigenlijk geen ene fluit meer of ik nu wel of niet vang. Ik geniet gewoon van die oneindige vrijheid aan het water.
Ik heb dit seizoen lekker gevist. Bij vlagen was dat oude gevoel weer terug. De spanning die ik vroeger in de gesloten tijd kende, toen ik met een kort hengeltje en net achter de verse rietkraagjes vissend, de voorns en brasems wilde vangen die daar kwamen om te paaien. Daarbij was het flink oppassen voor de boswachter die de hengelpret abrupt ten einde kon brengen. Het seizoen 2003 leverde me drie persoonlijke records op: zeelt, brasem en zelfs karper. Gelukkig heb ik geen enkele zeelt kunnen verschalken in het Hoefijzer. Gezien heb ik ze wel. En U weet het! Ik heb komend jaar weer een reden om daar heerlijk te gaan zitten!
Het einde
De visser van nu komt om in de informatie, verzuipt als het ware in de berg bijeengebrachte kennis omtrent zijn tegenstander: de karper. Zijn hengelmateriaal is nu zover geperfectioneerd dat verdere verbetering zinloos is. Gebrek aan tijd en geld mogen in deze maatschappij niet als verzachtende omstandigheid worden aangevoerd voor het niet kunnen najagen van een droom. Met andere woorden: de karpervisser van nu heeft geen enkel excuus meer om zijn monsterkarper niet te vangen. Zo pondenjager, zie nu maar eens om te gaan met die enorme druk……..
De karpervisser die er heden ten dage niet in slaagt zijn droomkarper te vangen verdient ons aller medelijden. Of is hij ons allen te slim af? Want niets is erger dan een vervult verlangen, en dat beseft hij donders goed.
Tonny Buijs
