Een verhaal uit 1991
DE DERTIGER
Er deden hardnekkige geruchten de ronde over dertigplussers die op de Zilverkamp (Goudkust in het boek van Bald de Boer) zouden rondzwemmen. Van Marco of Kip hoorde ik voor het eerst van dit water. Kip had er zelfs al eens gevist en belangrijker nog, gevangen. Daarna hoorde ik van Ronald, die het weer van een man gehoord had terwijl ze de hond aan het uitlaten waren, dat er een zeer grote (schub) karper gevangen was op de Zilverkamp. Het werd dus tijd om dat water eens met een bezoekje te vereren.
Tijdens het observeren kwam er een klein meisje naar me toe dat vroeg wat ik aan het doen was. (Kinderen vragen dat gewoon terwijl volwassenen denken dat je gestoord bent.) “Ik ben op zoek naar hele grote vissen,” antwoordde ik. “Mijn vader heeft hier een hele grote karper van wel dertig pond gevangen,” vertelde het meisje toen. Aangezien kinderen en gekken altijd de waarheid verkondigen, moest ik zo langzamerhand wel gaan geloven dat er minstens een zeer grote karper in dit plasje huisde.
Toch duurde het tot het voorjaar van 1990 dat ik er voor het eerst een hengeltje uitwierp. ’s Middags had ik een groepje karpers bij een duikertje zien rondhangen. ’s Avonds kwam ik terug met m’n hengels. Met veel moeite wist ik met Frolic een karper te haken. De kennismaking duurde echter niet lang. Direct na de aanslag schoot de vis los.
Daarna bracht ik nog zo af en toe een bezoekje. Zonder hengel. Bij al die bezoekjes zag ik tekenen van karper. Zo veel zelfs dat m’n vertrouwen in de aanwezigheid van een dertigponder sterk begon te dalen. Immers vele karpers maken de spoeling dun. Zo’n grote vis kon toch nooit op een gewicht van dertig pond komen (of blijven wanneer hij er in is gezet vanuit een ander water) wanneer hij zijn voedsel moet delen met honderden (?) soortgenoten?, dacht ik bij mezelf. Of het water moest misschien door zijn ondiepte, extreem voedselrijk zijn.
In het voorjaar van 1991 zat Mark aan het Hoefijzer te vissen. Hij vertelde dat hij zelf een dertigponder op de Zilverkamp gevangen had. En dat was een spiegelkarper geweest. Tot dan toe had ik alleen van een dertigpondsschubkarper gehoord. Maar het werd nog mooier, want er moest ook nog een dertigponds-leder zwemmen. Wat al deze verhalen en geruchten waard zijn weet je nooit, maar ik ging er nu toch maar vanuit dat er tenminste een gigant aanwezig was.
Nu bestaat de Zilverkamp uit twee gedeelten. Een gedeelte ligt midden in een woonwijk en het andere gedeelte ligt bij een sporthal. In de geruchten was men het er niet helemaal over eens waar nu welke karper zwom. Daarbij kwam nog dat ik inmiddels zelfs verhalen over karpers van zesendertig en veertig pond had gehoord. En over kanjers van bijna één meter lengte. Op zijn minst een karper mat zesennegentig centimeter. De plaatselijke jeugd en de aanwezige karpervissers wisten het al met al mooi te vertellen.
Het werd dus tijd om er eens serieus te gaan vissen. Eens kijken wat er van al die verhalen waar zou zijn. Guido beet de spits af. Hij wist in een zeer kort tijdsbestek een paar kleine karpers te vangen. Hij had gevoerd met hennep en gevist met boilies. Na de vangst van deze kleine vissen hield Guido het voor gezien. De vangst vergoedde niet de stress die het meebrengt om hier te vissen.
De Zilverkamp ligt namelijk zoals gezegd voor een gedeelte midden in een nieuwbouwwoonwijk. Het is een ondiepe gracht die zich bij mooi weer uitstekend leent om eens een stukje in een rubberbootje te gaan varen en daar maakt de talrijk aanwezige jeugd dankbaar gebruik van. Ook met mooi weer halen diezelfde kinderen hun weekendsetjes te voorschijn om op de overal rondzwemmende karpers te vissen. En op mooie zomeravonden wordt de waterkant bevolkt met Peppies. Van die zondagskarperaars die af en toe met hun bijleggertjes enorm grote karpers vangen. Zo was ik er, zo bleek achteraf, getuige van dat zo’n Peppie een dertigponder ving. Vanaf een afstandje sloeg ik een dril gade van wat waarschijnlijk een karper was. Dat gebeurde allemaal zo stuntelig en het duurde zo lang dat ik niet eens het einde van de dril afwachtte. Later hoorde ik van Mark dat die vis een dertigponder was geweest. Er zat er dus wel degelijk een!
Verder is het zo dat wanneer je op een mooie zomeravond een karper aanslaat, je tegen de tijd dat de karper geschept wordt, een publiek van zo’n man of dertig hebt opgebouwd. En als het dan ’s avonds laat eindelijk rustig dreigt te worden, dan besluiten de honderden hondenbezitters aangetrokken door de koelte, hun ronde maar eens te gaan maken. De honden die natuurlijk loslopen en voor geen meter luisteren, kunnen je de lol behoorlijk ontnemen. Niet dat ik bang ben voor honden, het is echter zo vervelend als je een zorgvuldig benaderde karper voor de kant weg ziet schieten omdat er zo’n mormel komt aanstuiven om je voerbak aan een nadere inspectie te onderwerpen en die vervolgens leeg te vreten.
Maar wanneer het dan een uur of twaalf wordt en de mensen zijn terug gekomen van hun familiebezoekjes en verjaardagsfeestjes, dan wordt het echt rustig. Heerlijk die stilte. Tegen een achtergrond van in lantaarnlicht glimmende auto’s en de grimmige donkere silhouetten van de huizen, klapt er zo nu en dan een karper terug in het spiegelende water.
Om de meeste stress te omzeilen besluit ik om zoveel mogelijk met het donker en ’s nachts te gaan vissen.
De vangst
Het gebeurde allemaal in de nacht van 3 op 4 juni, nog geen week na de vangst van de dertiger door die Peppie. Zoals gewoonlijk had ik mijn beide Maddocks hengels bij me. De D.T.2 was uitgerust met een pen met daarop een bètalight. Op een voerbed van hennep gebruikte ik Frolic als aas. De andere hengel was met een backstop systeem uitgerust. Gevist werd met een amberzing geflavourde boilie. De stek werd voorzien van zo’n vijftig boilies. Later, met het eigenlijke vissen op de stek, werden daar nog eens tien boilies bijgevoerd. Want eerst viste ik wat andere veelbelovende stekken af. Het is met deze methode mogelijk om snel een paar karpers te vangen. Als de ene stek verstoord is door de dril van een vis, dan verhuis je gewoon naar een nieuwe rustige stek. De stek bij de brug was de stek waar de sessie altijd werd beëindigd.
De duisternis viel in. Het begon ook fris te worden. Typisch een van die nachten waarop je geen beet verwacht. Langzamerhand begon het water te dampen en nevelslierten dreven voorbij. De tijd verstreek zonder dat ik beet kreeg. Het lag aan het weer – de kou – dat leek me zeer waarschijnlijk. Tegelijkertijd speelde er in mijn gedachte dat ik onder dergelijke omstandigheden al eens een grote vis gevangen had. Maar dat was in oktober geweest. In het Hoefijzer leverde de Frolic-voerstek destijds een schubkarper van precies twintig pond op. Die avond was het ook stervenskoud. Over de weilanden uit de richting van het Westerveld dreven grote nevelbanken voorbij. Maar toen, niet eens onverwacht begon mijn waker zijn reis richting start-oog. Die reis werd niet geheel afgemaakt. Voor het zover was, stond de hengel namelijk al lang krom.
Ik zou niet lang meer blijven. Al twee stekken hadden niets opgeleverd. Nu zat ik tot slot naast de brug. Het vertrouwen was tot een dieptepunt gedaald. Zoals gewoonlijk stelde ik me een tijdslimiet. Als ik voor een bepaalde tijd een karper zou vangen dan zou ik er nog ’n uurtje bij aanplakken. Vandaag zou er voor 00.45 wat moeten gebeuren. En laat ik nou om veertien minuten over half een ’n doorbeet krijgen!
Ik had al een tijdje wat twitches op de boilie-hengel gehad. Nu resulteerde dat dus in een doorbeet. De dril was niet opvallend. De zeventig centimeter lange schubkarper deed wat er verwacht werd van hem, namelijk een robbertje vechten en dan aan het slot rustig het wachtende landingsnet inglijden.
Dit onverwachte succes dwong me om een uurtje langer te blijven. Ik liep naar de overkant en liet daar, bij de vijfde bolling van de schutting rechts naast het struikje, de boilie onder de kant zakken. Daarna voerde ik een tiental boilies bij. Het voer en het aas lagen er weer perfect bij. Ik zette de molenbeugel los en liep al lijn vierend terug naar mijn visplaats. Daar werd de lijn strak gedraaid en werd de waker in de lijn gehangen. Het wachten was weer begonnen.
Het probleem met mij is dat ik snel ongeduldig wordt en dan bij de hengels wegloop (ze haken zichzelf met boilies toch wel) of de tijdslimiet bijstel zoals nu. Ik zou tot uiterlijk kwart over een blijven en niet tot kwart voor twee zoals ik mezelf eerder had beloofd. Bij de hengels weglopen resulteerde vroeger regelmatig in een in het water getrokken hengel. De hengel scheerde dan als een speedboot over het water. Een prachtig gezicht! Minder leuk waren die keren in de Politiekolk. En dat terwijl ik die keren pal achter mijn hengels zat!
In een donkere nacht werd mijn Alan Brown het water ingesleurd. Recht onder mijn handen vandaan. De beet was zo keihard dat de hengel al het water was ingekatapuld voordat mijn hersenen doorkregen wat er aan de hand was en dat ik aan moest aanslaan. Mijn handen grepen in het luchtledige.
De hengel was op het zwarte water niet te zien. Het werd daarom een lange nacht. Toen eindelijk de ochtendschemering inzette speurde ik het hele water af. Maar geen hengel. Ai, dat was niet best. Tenslotte zat er niets anders op dan het water in te gaan. Gelukkig vond ik al bij het eerste plompenveld recht voor mijn stek de lijn terug. Optimistisch als altijd verwachtte ik ook nog dat de karper er aan zou zitten. Voetje voor voetje volgde ik de lijn. Helaas de vogel was gevlogen. Belangrijker was dat ik de hengel terug had.
In hetzelfde water werd mijn Kevin Maddocks gedoopt. Wederom door zo’n keiharde aanbeet op zo’n vijftig meter afstand. Die beet was zo hard, dat voordat de hengel het water raakte, deze eerst tien meter door de lucht vloog. Hij werd afgevuurd als een raket! Ook nu was het weer paniek. De hengel zonk al dieper en dieper. En op het laatst was slechts het achterste foam gedeelte van het handvat nog te zien. Gelukkig stond er meer dan vijftig meter lijn uit. Door er simpel met een andere hengel overheen te gooien moest de hengel naar de kant te krijgen zijn. Hans en ik liepen naar een steiger die loodrecht op de uitstaande lijn stond en begonnen te gooien. Al vrij snel was het raak en kwam de hengel naar de kant. De vis zat er nog steeds aan. Misschien zou het lukken deze karper te vangen. Helaas zaten de beide lijnen in de war. Daardoor kon er niet gedrild worden. Eindelijk was de knup eruit. De hengel nam nu zijn prachtige curve aan. Maar dat kon niet verhinderen dat de karper ging scheren. Met een boog kwam de vis naar de aan mijn kant gelegen plompen toe. Tegen een scherende karper is vrij weinig te beginnen. Deze dook de plompen in en loste daar de haak.
Het was nu al dik over enen. Ik had de moed definitief opgegeven om nog een karper te vangen. Langzaam werden de weinige spullen opgeruimd. De penhengel werd opgehaald en ingeklapt. Normaal klap ik dan de andere hengel in. Nu echter herinnerde ik me de woorden van Ronny tijdens een gesprek over “last minute wackers”. Hij klapt eerst zijn schepnet in en daarna pas zijn hengels. Tijdens het inklappen van zijn net zou hij nog een aanbeet kunnen krijgen! Zelf ruimde ik normaal gesproken eerst de hengels op. Ik zag het niet zitten dat in een voorkomend geval, ik de karper met de hand moest landen of dat ik eerst weer het landingsnet in elkaar moest gaan zetten. De kans dat een karper op het laatste moment nog zou ontsnappen was mijns inziens redelijk aanwezig. En de bijkomende stress wanneer mij dat zou overkomen woog niet op tegen het gemis van een beet waarvan ik nooit het bestaan zou kennen.
In deze bewuste nacht deed ik het toch op de Ronny manier. Noem het een zesde zintuig. Eerst het net en dan de hengel. Het net werd ingeklapt. Toen ik daarna op het horloge keek, zag ik dat het nog geen kwart over een was. Ik besloot om de resterende minuten te gebruiken om vanaf de steiger te observeren. Mijn Optonic was bij de steiger niet te horen. Toch eens andere batterijen halen. De tijd was om en ik liep terug. Vage piep geluiden kwamen me tegemoet. Geen doorbeet maar onmiskenbaar beet. Dat getwitch hield een tijdje aan. Daarna begon de waker te zakken. Maar dat kon eigenlijk niet! Ik viste met de backstop op vijftig centimeter en met veertig gram lood. Hoe de “hell” was het dan mogelijk dat de waker niet steeg bij een aanbeet? Ik draaide de lijn wat op maar de waker bleef zakken. Dit moest toch echt een beet zijn! Snel sloeg ik aan. Bijna een gat in de lucht, want ik voelde maar zeer weinig weerstand. Toch ontstond een meter of tien van mijn eigenlijke stek een golf. De vis was dus toch gehaakt. Het leek een simpele dril te gaan worden. Binnen vijf seconden had ik de vis onder mijn eigen kant. En wanneer ik het net bij de hand had gehad, dan was het gevecht misschien in tien seconden afgelopen geweest. Helaas, ik moest het net weer uitklappen, want het gestuntel om de vis met de hand te landen zag ik al helemaal niet zitten.
Ik klemde de hengel vast tussen mijn beide benen, zodoende had ik twee handen vrij om het net in elkaar te steken. Zoals altijd in deze crisissituaties zat het net een beetje in de knoop en ging alles niet zo vlot als ik gedacht en gehoopt had. Tot overmaat van ramp begon de vis ineens wakker te worden. Als een tank kwam hij op gang. De hengel boog steeds dieper door. De druk werd inmiddels zo groot dat ik het net onuitgeklapt aan de kant moest gooien om de hengel weer ter hand te nemen. De Kevin Maddocks hengel ging nu echt loeikrom tot ver in het handvat. Oef, wat een power ontwikkelde die vis. De slip kwam langzaam tikkend op gang maar van lieverlede ging het getik over in een constant geratel. De karper dook onder de brug door. Daar was ik altijd bevreesd voor geweest. Om te voorkomen dat de lijn kapot geschuurd zou worden op de bakstenen rand drilde ik met gestrekte armen waardoor de lijn door het midden van de brug zou gaan. Aangezien mijn naam geen Arnold Schwartzenegger is zou ik dit niet lang kunnen volhouden. Ik moest proberen om naar de steiger te komen waar ik de hengel in mijn zij kon planten. Met heel veel moeite kon ik een paar meter richting steiger komen. Net voldoende om de hengel onder mijn elleboog door te halen en een beetje steun in mijn zij te krijgen. Dat was dringend nodig ook. Want de vis zwom met een constante snelheid met de hengel tot in zijn uiterste stand krom, gewoon door.
Dit behoorde helemaal niet te kunnen! De dreiging was onheilsspellend. Wat voor een vis kon zo’n geweldige kracht ten toon spreiden? Het was nog nooit gebeurd dat ik me machteloos voelde maar deze vis kreeg het voor elkaar. Zoiets gebeurde eigenlijk alleen in dromen (of nachtmerries?). Het leek ook net alsof ik totaal buiten de werkelijkheid geplaatst was.
De adrenaline gierde door het lijf. De angst voor het verspelen nam sterk toe. Niet alleen was ik ontzettend nieuwsgierig wat mijn tegenspeler voor patser was. Maar de vis moest nu onderhand de brug onder door zijn. Als de vis nu naar links of rechts af zou buigen dan betekende dat het einde van de dril. Gelukkig boog hij niet af. Wel zwom hij gewoon door alsof het allemaal niets uitmaakte en hij niet in het minst gehinderd leek te worden door de 1 3/4 pond loeikromme hengel.
De brug was hij ver voorbij. Het volgende obstakel lag zo’n dertig meter verder. Een bos takken aan de rechterkant kon zijn redding betekenen. En op dezelfde hoogte ongeveer kon de karper besluiten om linksaf de hoek om, af te slaan. Met zijn blik op oneindig ging de vis rechtdoor. Totaal onverwacht stopte de karper. Was hij met zijn kop tegen de oever aan gezwommen? Hij was ver weg, heel ver weg. Het was zaak de karper rustig rechtdoor terug te pompen. De kans dat de vis naar links of rechts zou gaan was erg groot omdat hij geen snelheid meer had. Gelukkig ging alles goed. De vis kwam rustig mee. Het terughalen duurde een eeuwigheid.
Onder de brug ontstond grote beroering. De vis was inmiddels in zoverre onder controle dat hij aan die kant geen obstakels meer zou kunnen bereiken. Alleen was de steiger aan mijn linkerkant ineens akelig dichtbij gekomen voor de karper. Maar hij was moe. Mijn rechterarm ook, daar niet van. Zo goed als uitgedrild lag hij hoog in het water. Dit was de kans om het net in elkaar te zetten. De hengel ging weer tussen de benen. En nog paniekeriger als in het begin lukte het tenslotte het net in elkaar te krijgen. In de tijd die hiermee gepaard ging, was de vis weer wat op krachten gekomen. Ook werd het mij duidelijk – door zijn manier van zwemmen – dat de karper valsgehaakt was. Oppassen dus! Hij begon zijn achtjes onder te top te draaien. Maar vermoeid als hij was moest hij dat snel opgeven. Het net wachtte. Rustig lag hij in het water. Ik probeerde het net onder de vis te schuiven. Shit! Het net zat vast aan de kant. De eerste poging mislukte en ik rukte het net los van een onderwater liggende tak. De karper zag nog een kans. Langzaam zwom hij weer van me weg. De overtuiging ontbrak echter in zijn poging. Nu verliep de landingspoging perfect. Wat een opluchting toen ik eindelijk het net uit het water kon tillen. Dat was echter geen gemakkelijke opgave.
De eerste glimp was al voldoende om te beseffen dat ik een “thirty” op de kant aan het tillen was. Na een dril van dik een half uur was een rondedansje wel op zijn plaats.
De haak was terechtgekomen in zijn flank. Hoe dat heeft kunnen gebeuren is mij totaal een raadsel. Het is niet bij het aanslaan gebeurd, want de vis had zichzelf al geprikt. En het is volgens mij onmogelijk, dat je met een onderlijn van slechts negen centimeter lang een zo’n hoge karper midden in zijn flank kan haken, tenzij de vis met zijn flank langs de bodem is gerold om in opperste extase mijn boilies te proeven. Waarschijnlijk heeft de haak in het begin wel in de bek gezeten maar is die los geschoten en in de flank terecht gekomen. Hoe dan ook ik had een “real last minute whacker” gevangen!
Snel werden de weegzak en een bewaarzak nat gemaakt. De spiegelkarper legde ik op de bewaarzak. Nu kon ik de natte weegzak aan de weger hangen en de weger op nul zetten. Vervolgens werd een volle weegzak aan de haak bevestigd. Nu even goed opletten dat ik niet de verkeerde, Engelse schaal, af zou lezen. Eenendertigenenhalve pond was de gigant zwaar. En dat bij zesentachtig centimeter. Bij een nadere inspectie bleek de vis nogal beschadigd te zijn. Zijn rugvin lag totaal in de prak. Op zijn lijf zaten nogal wat rode plekken. Vooral bij zijn staart. Dit moest gebeurd zijn bij een eerdere vangst. Toen mij dan ook ten gehore kwam dat de Peppie dertiger bewaard was in een leefnetje was het duidelijk dat het om dezelfde vis ging. Deze vis stond trouwens ook met foto in “Het Visblad” bleek later. Wat hij woog is niet vermeld, wel dat hij achtentachtig centimeter lang was. Ik kreeg nu sterk het vermoeden dat deze vis voor heel wat verhalen had gezorgd. Mark zijn dertiger was tenslotte ook een spiegel geweest. En de verhalen over een dertigponds leder betroffen waarschijnlijk ook deze vis want erg veel schubben had ie niet. Bleef over waar die grote schubkarper ergens uit zou hangen. Volgens, voor mij, nieuwe geruchten zou die bij de sporthal rondzwemmen.
Als laatste was het zaak goede foto’s te krijgen. Daarvoor moest Henk uit zijn bed gehaald worden. Om kwart over twee ’s nachts tikte ik zachtjes met de schepnetsteel tegen zijn raam. Een paar oerkreten volgden toen hij ruw in zijn ongetwijfeld mooie droom gestoord werd. Die gast schreeuwde het hele huis bij elkaar, terwijl ik zo mijn best deed om alleen hem wakker te krijgen. We spraken af om vroeg in de ochtend dia’s te maken. Met de Harley dreunden we die ochtend het dorp wakker. Rustig als altijd ploften we al “easy” rijdend naar de Zilverkamp waar met wat hindernissen (half lege batterijen) een rolletje vol geschoten werd.
Later bij de inspectie van de lijn bleek dat deze over minstens zestig meter beschadigd was. Dat varieerde van lichte beschadigingen tot zeer zware rafels bij de eerste meters na de onderlijn. Enig geluk kon me bij deze vangst niet ontzegd worden.
EEN NAJAARTJE ZILVERKAMP
Het najaar is de tijd voor bonen. Waarom bonen speciaal in dit jaargetijde zo’n goed aas vormen is niet geheel duidelijk. Maar waarom zou je daar je hoofd over breken als je weet dat het gewoon vangt! Dat de bonen zouden werken op de Zilverkamp daarvan was ik overtuigd. Immers, ik had er van de zomer ook al een mee gevangen. Die karper had zonder enige argwaan op de stek geaast. Vrij snel hing die daarna aan de haak.
Dat was met de hennep wel anders. Daarmee kreeg ik karpers zat op de stekken aan weerszijde van de brug. Op een gegeven moment telde ik op iedere stek zo’n zes à zeven karpers waaronder op de ene stek een dertigponder en waarschijnlijk twee twintigponders. Het vervelende was echter dat ze mijn Frolicje vrolijk lieten liggen. Onbegrijpelijk, want ze wapperden met hun staarten mijn dobber onder. Frustratie al om! Als laatste redmiddel gebruikte ik toen de bonen. Om de een of andere reden werkte dit aas wel.
Ik had alweer een tijdje niet gevist. Nu echter kwam de tijd om een alles vernietigend offensief te plaatsen. September is de maand beweren ze altijd. Dus de tijd van het jaar was goed, het aas was goed, de plaats was goed en het tijdstip waarop ik viste was goed. Maar hoe zat het met de gebruikte techniek?
Vrijdag 13 september was de eerste avond waarop ik toe zou slaan. Ik gebruikte twee hengels. Mijn Dual Taper en mijn Alan Brown. Beide met een pen. De A.B. met een uiterst subtiel pennetje en de D.T. met een pen waarop een betalight was bevestigd, wat eigenlijk geen erg subtiele combinatie was. Op de D.T. gebruikte ik verder een multistrand onderlijn (12 pond) met een Au lion d’or (2) als haak. Twee bonen op de haak vormden het aas. Op de A.B. gebruikte ik ongeveer 25/00 Maxima lijn met direct daaraan een O’Shaugnessy (6) haak. Eén boon vormde daar het aas. De laatste combinatie vond ik erg subtiel.
In het schijnsel van een straatlantaarn kon ik ieder tikje op het kleine pennetje van de A.B. zien. Niet dat ik tikjes verwachtte. Vroeger in de Gracht, het Bos en in Knuiman kreeg je immers ook vlotte doorbeten terwijl de aaspresentatie destijds lang niet zo subtiel was. Maar gezeten op de steiger, waarvan ik alles prachtig kon observeren, kwam ik langzamerhand tot de conclusie dat mijn prachtige aasaanbieding jammerlijk faalde.
Wat was namelijk het geval. De boontjes deden hun werk goed, regelmatig doorkruisten grote bellensporen de voerstek. Karper dat kon niet missen temeer ook omdat tegelijk met de bellen vaak ook grote wellingen, veroorzaakt door het wapperen met de staart, aan de oppervlakte verschenen. Dat dit zo goed te zien was kwam door de extreem lage waterstand. Het was misschien zo’n 50 centimeter diep. Waarom kreeg ik dan verdomme geen beet spookte het door mijn hoofd. Niet dat de dobbers roerloos in het water lagen, dat niet. Vaak genoeg tjoepte de dobber enige malen zeer heftig op en neer. Echter daar bleef het bij! Een paar keer kwam een bellenspoor recht op de dobber af. Het stopte onder de dobber waarna die een paar keer heftig schudde. Je verwacht een doorbeet, de adrenaline giert door het lijf en dat was het.
Ik besloot het systeem enigszins aan te passen. De boon kwam nu niet meer direkt op de haak maar aan een haartje van 4 cm er onder te hangen. Dit moest gewoon werken. Ik gooide in, mikte er een paar bonen omheen en wachtte op de doorbeet die nu komen moest.
De doorbeet kwam vrij snel (hoera het systeem werkte). Maar na een halve minuut drillen schoot de karper los. Tsjee dat was balen. Wat kun je ook anders verwachten op vrijdag de dertiende! Gelukkig zat er een forse schub aan de haak geprikt. Dit bewees tenminste dat de karper vals gehaakt was en mijn systeem dus niet gewerkt had. Na deze afknapper ben ik gegaan. Overdenkend wat ik morgen moest gaan doen om een karper op de kant te krijgen.
Het was pijnlijk duidelijk geworden dat de karpers het verschil tussen een vrij liggende boon en een boon aan de haak zeer goed kenden. Om het verschil hier tussen merendeels op te heffen moest voor een zeer, zeer gevoelige aanbieding gezorgd worden. Ik besloot om op de Alan Brown 18/00 te gaan gebruiken. Dit moest kunnen want het is een zeer soepele glasvezelstok die de klappen van een vluchtende karper goed kon dempen. Verder was de A.B. uitgerust met een reel die een bijna perfecte slip bezit en het dus mogelijk maakte een dunne lijn te gebruiken. Als haak zou ik nu een K.M. hair rig (8) nemen. Lichter vissen was niet verantwoord daar het mijns inziens te lange driltijden zou opleveren en misschien een aantal lijnbreuken, en wat kon je met een nog lichtere lijn nu uitrichten tegen een aangeslagen twintig- of dertigponder. Want het uiteindelijke doel is het vangen van deze grote karpers. Eigenlijk was deze 18/00 al gekkenwerk. Stel dat je een dertiger haakt, die zou je alle hoeken van de gracht laten zien. Ik was echter zo nieuwsgierig of ik met dit lichte systeem wel vlot doorbeten zou krijgen dat ik er toch mee ben gaan vissen.
Zaterdagmiddag ben ik bij Henk langs gegaan. Ik vertelde het hele verhaal aan hem. Verder vroeg ik Henk een diarolletje mee te brengen. In eerste instantie om de gladde achterband van mijn Harley te diagraferen, maar min of meer uit gein, zei ik ook dat ik hem vanavond nodig zou hebben, want ik had er een voorgevoel van dat ik een zeer grote karper zou gaan vangen.
Die avond beloofde veel goeds. Bij het water gekomen zag ik dat de karpers zeer actief waren. Bellensporen en grote wellingen verrieden hun aanwezigheid. Ik voerde en begon de hengel op te tuigen. Ik had deze keer maar een hengel bij me, want het was onmogelijk gebleken twee dobbers in het donker goed in de gaten te houden. Tijdens het optuigen kwam er al karper op de stek. En dat was geen kleintje. In de schemering kon ik zien hoe hij met zijn rug boven over de stek aasde. Deze vis was zeer de moeite waard. Snel gooide ik in. Ik vond het niet nodig om de boon aan een haartje te binden dus de boon zat direct op de haak. Het was 20.25 uur. Vijf minuten later ging de dobber onder en liep de lijn strak. Met een beheerste aanslag (18/00) zette ik de haak. Het was de grote vis van daarnet.
Langzaam kwam de vis op gang. Eerst dreigde hij koers te zetten naar de steiger waar ik op stond. Dat zou zeker het einde van de dril betekend hebben. Gelukkig kon ik hem een beetje van gedachten veranderen en ging hij steeds sneller naar links het vrije water op. Zijn spoor was in het ondiepe water, dat nauwelijks zijn rug bedekte, goed te volgen. Een steeds groter wordende boeggolf deinde uit over het water. Het was net die scene uit Jaws, waarin de haai een waterskiester achtervolgde. De golven klotsten de kant op. Dit moest wel een zeer aanzienlijke vis zijn. Waarschijnlijk wel een twintiger. Na een run van 35 à 40 meter viel hij stil. Dat bracht mij in de gelegenheid het schepnet te pakken en als een speer van de steiger af te komen om vijftien meter naar links de karper uit te gaan drillen.
De steiger was een mooie stek, maar een karper daar uit drillen was vragen om moeilijkheden. Zelfs een verzwakte karper kon op het laatst nog de steiger onderdoor zwemmen. Koel werd de vis afgemat. Ik liep het water in om te voorkomen dat de karper vast zou komen te liggen in het ondiepe water. Daarmee had ik al eens een zeer nare ervaring gehad in Dodewaard. Het landen verliep volgens het boekje. Toen ik het net uit het water wilde tillen moest ik meer kracht zetten dan ik had vermoed. Zou dit soms weer een dertiger zijn? Op de kant herkende ik de vis als zijnde de 31.5 ponder van eerder dit jaar. Maar hij was afgevallen. Dat was duidelijk te zien. Mijn voorgevoel had me in ieder geval niet bedrogen.
De dril duurde zo’n tien minuten (en dat met 18/00 Tortue nacrita). De vorige keer was ik een half uur bezig met 27/00 Maxima en een loeikromme K.M. hengel. Toen was de vis vals gehaakt en nu zat de haak keurig voor in de bek. Dat maakt dus ontzettend veel verschil. Daarom geloof ik ook dat het om vals gehaakte vissen gaat, wanneer iemand het heeft over sterke karpers die de spoel van de molen leeg zwemmen.
Het zaak om Henk te bellen om de vis te fotograferen. Ondertussen dat ik op Henk wachtte ging ik maar weer vissen. Zonder veel vertrouwen, want een groep kids had ook plaats genomen op de steiger en maakte nogal wat kabaal. Toch kreeg ik na vijf minuten weer beet (om 20.55 uur). Deze aanbeet leverde na een weinig opzienbarende dril een karpertje op van 52 cm. De kids waren zo onder de indruk dat ze maar snel een hengeltje gingen halen. De rust was voorgoed voorbij. Gelukkig kwamen Henk en Guido daarna vrij snel.
De spiegelkarper bleek inderdaad te zijn afgevallen. Hij was één pond verwijderd van de magische dertigponds grens. Met zijn 29 pond was hij 2.5 pond afgevallen ten opzichte van zijn eerdere vangst door mij. Dit en het feit dat zo’n dier een betere leefomgeving verdiende, deed mij besluiten de vis alsnog over te zetten naar Rijkerswoerd. En wel naar de grote kolk. Daar had hij voldoende ruimte om nog te groeien en zou hij bij kunnen komen van zijn gestresste leventje in de badkuip Zilverkamp. Zo’n gestresste vis had Guido nog niet eerder gezien, zei hij, en ik moet ook zeggen: de vis zag er nou niet bepaald blakend gezond uit. Hij kwam enigszins dof over om het eufemistisch te zeggen. Om de vis later ongezien mee te kunnen nemen deed ik hem na het diagraferen weer terug in de bewaarzak en hing hem weer in het water. Zonder de hoop om er nog een te vangen viste ik door bij de brug totdat de kids af zouden nokken.
Het systeem leek perfect. Binnen een half uur lagen er twee karpers op de kant. Dit beloofde veel voor de toekomst.
Zondagavond. Het weer is totaal omgeslagen. Na maanden van droogte komt de regen met bakken tegelijk naar beneden. Via een rioolstelsel wordt al het hemelwater van de Zilverkamp afgevoerd naar de grachten. Dit gaat gepaard met een daverend geraas. Zelfs als de regen al een uur gestopt is, dondert het nog voort. De kans dat er nu een totale zuurstofloosheid in het water optreedt is zeker niet denkbeeldig. Vooral niet nu het water zo extreem laag is. Een massale vissterfte is zeker niet uitgesloten. Gelukkig heb ik dat niet zien gebeuren. Dit speelde overigens wel een belangrijke rol in mijn beslissing om de vis over te zetten.
Tijdens de regen is de karper totaal passief. Na de bui komt er voorzichtig weer wat leven in de brouwerij. De karper is niet echt actief en aast zeer voorzichtig. Werd gisteren mijn haakaas meteen geaccepteerd, nu krijg ik weer van die subtiele schijnbeten. Toch weet ik bij het bruggetje nog een karper te vangen.
De volgende avond regent het weer pijpenstelen. De karper wordt wederom pas na de regenbui aarzelend actief. Het waterpeil is zeker zo’n 20 à 25 cm gestegen, een stijging van 50%!! Wederom krijg ik subtiele beetjes zonder doorbeet.
Een niet zo’n actieve karper is duidelijk veel voorzichtiger, is mijn conclusie dan ook. Dit lijkt heel logisch, maar als je ervan uitgaat dat een azende karper gewoon een azende karper is, ook al is de rest van de aanwezige populatie niet aan het azen, waarom is die azende karper dan toch voorzichtiger? Hij is hongerig anders zou die niet azen. Kennelijk kent die hongerigheid ook zijn gradaties. Of zetten karpers, wanneer ze samen azen, elkaar aan tot een soort van voedselnijd? Waardoor ze pakken wat ze maar te pakken kunnen krijgen om de ander maar vooral voor te zijn.
Eindelijk kreeg ik dan een doorbeet. Tijdens de korte dril, alvorens de karper los zou schieten, kreeg ik het vermoeden dat hij vals gehaakt was. Deze karper accepteerde mijn aanbieding dus niet en ik kreeg beet omdat hij toevallig door de lijn zwom. Een tijd later kreeg ik weer beet en ook deze karper zou losschieten net toen het me gelukt was om van de steiger af te komen. Dit was derhalve weer een aardig frustie avondje.
Dinsdag en woensdag heb ik niet gevist. Pas donderdag was ik weer present. De karper was redelijk aktief en binnen 10 minuten kreeg ik beet. Deze karper was er een van de intelligente soort. Hij bleef rond de steiger hangen en het kon niet uitblijven: op een gegeven moment zwom hij eronder door. Ik probeerde nog om de hengel onder de steiger door te halen. Helaas, toen dat net gelukt was, schoot de vis los. Shit! Nog een losschieter en de Maddocks haakjes zouden naar de schroot gaan. Die avond kreeg ik geen beet meer. Ik besloot om niet meer op de steiger te gaan zitten. Dit gaf teveel problemen met het drillen.
Vrijdag was ik weer present. Ondanks de aanwezige karper op de stek bleef een doorbeet uit. Toen besloot ik om mijn systeem te veranderen. Twee bonen werden via een 4 cm lange haar aangeboden. Binnen vijf minuten had ik een doorbeet en kwam er een klein karpertje op de kant. Op de andere stek kreeg ik daarna ook nog een doorbeet wat resulteerde in een misslag. Toch was het een karper gezien de golf van een vluchtende vis. Had ik nu het ultieme systeem ontdekt?
Zondagochtend zou ik met mijn neefje André gaan vissen. Oef, al om half zes stond ik op. Om kwart over zes waren we aan het water. Het zou tot zeven uur duren voordat we onze dobbers konden zien. Het waterniveau was weer gedaald tot bijna zijn laagste punt. Zo snel als het erbij kwam zo snel was het blijkbaar ook weer weg. De activiteit viel me tegen. Er aasden wel een paar karpers dat toch wel. Dat zou wel weer subtiele beetjes geven. Maar toen om 08.05 eigenlijk voor de eerste keer een karper dicht in de buurt van mijn aas kwam, kreeg ik gelijk een doorbeet. Deze vis was 52 cm lang. Ach je kunt niet alleen de grote vangen. Toch vond André het al een beste knaap. We verkasten nu naar het bruggetje. Daar was lange tijd geen spoor van karper te bekennen. Plotseling golfde er een onder de brug. Ook verscheen er een grote modderwolk aan de oppervlakte. Snel gooide ik wat bonen in de buurt en ik gooide ook mijn aas wat meer in de buurt. Vijf minuten later was het zo ver. De dobber verdween in de diepte. Na een lange dril, de karper verzette zich stevig, kon André de vis voor me landen. Het formaat viel tegen. Net als de vorige karper had deze kleine knokker (64 cm) de haak zo’n drie centimeter buiten zijn bek zitten. Het haarsysteem werkt dus naar behoren alleen moet ik nog zorgen dat de haak nu echt in de bek van de vis terecht komt.
Jammergenoeg haakte André geen vis. Dit ondanks dat hij een paar mooie beten heeft gehad. Maar of dat karper is geweest blijft een raadsel. Toch vond hij het leuk. Toen er een grote karper vlak bij zijn dobber draaide ging zijn hengeltop van de spanning heen en weer.
Pas na twee weken was ik weer terug om te vissen. Zondagavond 13 oktober moest het weer gaan gebeuren. Het eerste dat me opviel was de doodsheid van het water. Geen bel, welling of kringel was te zien. Wat was er gebeurd in de tijd dat ik er niet was geweest?
Toch kreeg ik vrij snel karper op de stek. Maar pas na lange tijd geconcentreerd en actief vissen kreeg ik een mooie wegloper (met haar). Schijnbaar stond de slip iets te strak. De lijn knapte ergens af bij de dobber. Het kan ook, dat de lijn bij de dobber in de knoop heeft gezeten, want de lijn was op een rare manier gerafeld.
De volgende avond was de karper nog passiever. Al moet ik zeggen dat de karper zondag tussen 21.00 en 23.00 uur zeer actief waren wat springen betreft. Zelfs het vissen met drie hengels leverde geen beet op. Het leek wel of de karper schrok van die strakke lijnen op de stek. Want als er dan eindelijk een karper op de bonenstek van de penhengel verscheen, dan was die ook zo weer weg. Ten einde raad probeerde ik het maar weer op de steiger. Daar kreeg ik vrij snel een karper op de stek. Omdat de bonen van mijn haartje af waren, en ik geen zin had een nieuwe te maken, prikte ik een boon direct op de haak. Dat leverde een beet op. Aan de manier van vechten (stoempen) te oordelen was deze vis wederom vals gehaakt. Helaas schoot de karper los.
Woensdagochtend was ik weer met André present. Het water was compleet dood. What the hell was going on? Vrij snel besloot ik om naar de kleine Politiekolk te gaan. Tenslotte moest André een karper vangen. Ook daar was het water doods. En ook de grote Politiekolk bleek even later compleet doods te zijn.
Later hoorde ik van Marco, die op een ander water viste, dat ook zijn resultaten zeer slecht waren in deze periode. In ongeveer vier dagen onafgebroken vissen ving hij slechts een karper. Het moet aan de afkoeling van het water gelegen hebben.
Deze periode werd gekenmerkt door mooi weer overdag, maar ’s avonds en ’s nachts koelde het sterk af. Nevels hingen over het water en over de weg. Er ontstond zelfs mist.
Vrijdagavond ben ik nog eens teruggegaan. Nog steeds was het water zonder leven. Toch kreeg ik vlak voor het opruimen een doorbeet op de met bonen beaasde K.M hengel (uitgebalanceerde haak met twee bonen aan 3cm lange haar). Ik sloeg finaal een gat in de lucht. Waarschijnlijk was het een brasem want er ontstond geen golf.
De week erop was ik er weer. Vrijdagavond 25 oktober was het inmiddels.
’s Middags had ik Bald gebeld om te vragen hoe het hem vergaan was op de Zilverkamp. Hij had in twee sessies niets gevangen. Hij had ook met bonen gevist. Het belangrijkste wat hij zei was dat de karpers redelijk actief waren. Dat was voor mij het teken om te gaan.
Wederom viste ik met drie hengels. De Maddocks hengels met een vast lood priksysteem en een slappe lijn. Ondanks karper op de stek kreeg ik geen beet. Het moest maar weer gebeuren met de penhengel. Een meter of dertig van de andere hengels vandaan maakte ik een voerplek met bonen. Een paar handjes zouden de karper op de stek lokken. En inderdaad het lukte. Er verschenen weer wellingen. Na verloop van tijd werd de vis steeds actiever op de stek. Het kon niet lang meer duren voordat de beet zou komen. En ja hoor daar verdween de pen de diepte in.
De reel begon lijn af te geven tot in het oneindige zo leek het. Vijftig, zestig, ja misschien wel zeventig meter lijn nam de vis. Daarna begon hij rustig op en neer te koersen. Naar mijn kant, weer naar de overkant en weer terug. De karper wist wie de baas was, hij liet me alle hoeken van het water zien. Gelukkig koerste hij niet verder van me af richting steiger. Hij had er kracht genoeg voor gehad om die te halen. Ik kon ook totaal geen kracht zetten. De 18/00 was totaal ontoereikend om eens lekker in de hengel te gaan hangen. Het was meer een soort van balanceer act. Het enige wat ik kon doen was zorgen dat de lijn niet brak. Een foutje, een misstap zoals een koordanser in de nok van het circus, zou het einde betekenen. Na wat uren leek te hebben geduurd kreeg ik de karper onder de kant. Mijn rechterarm was uitgeput. Ik moest zelfs overschakelen op links. Met geen mogelijkheid kon ik de vis boven het net trekken. Hij was gewoon te zwaar. Maar na zo’n half uur à drie kwartier drillen, was ik met een geslaagde maar gevaarlijke manoeuvre instaat de karper het net in te laten zwemmen. De nog niet geheel uitgedrilde vis bleek wederom vals gehaakt te zijn. In de borstvin deze keer.
Een vals gehaakte schubkarper van 20,0 pond. En die kunnen knokken. Dat vechten is dan nog niet zo’n probleem. Met de 18/00 echter was ik niet in staat het gewicht omhoog te tillen om hem te landen. Was de karper op de grond gaan liggen mokken, dan had ik hem met geen mogelijkheid naar de kant kunnen krijgen.
En je maakt zo af en toe ook nog eens wat mee. Laatst zat ik ’s avonds aan de Zilverkamp. Ik was mijn hengels aan het optuigen. Het was al donker, desondanks maak ik geen licht om wat te kunnen zien. Licht en lawaai verjagen de vis. Om niet op te vallen draag ik legerkleding. Overdag ziet dat er in een woonwijk best dom uit denk ik. Maar ’s avonds is er geen hond die mij in mijn camouflage kleding zal zien wanneer ik dat niet wil.
Zo liepen er aan de overkant drie jochies. Ik dacht eerst dat ze mij al gezien hadden. Later zou blijken van niet. Daarom vond ik het knap irritant en asociaal dat ze met hun blinkertjes steeds dichter op mijn stek gooiden. Ik besloot daarop om mijn lood vlak voor hun voeten te gooien, zodat ze zouden begrijpen dat dat “mijn” stek was.
Ik bleef rustig zitten, bracht mijn hengel naar achteren en met een soepele worp vloog mijn dertig gram zware lood naar de overkant. De plons die vlak voor hun voeten ontstond miste zijn uitwerking niet. Ze schrokken zich dood. Ze schieten op ons zei er een. Kennelijk hadden ze me niet gezien. Dit moest ik uitbuiten. Rustig draaide ik de lijn binnen. Het gesprek van die jochies kon ik goed volgen. Wie is die eikel, wat was dat nou en waar kwam dat vandaan? Ik zette opnieuw aan voor een worp. Weer landde het lood vlak voor hun voeten. En weer schrokken ze zich kapot. Ze begonnen te schelden, maar ze wisten niet tegen wie en waarheen. Als honden jankten ze naar de maan. He eikel, ik pak m’n luchtdrukpistool. Ik zie je wel hoor. De onzekerheid was uit hun stemmen op te maken. Een van die jochies zag in het schijnsel van een lamp mijn lijn lopen toen ik opdraaide. Toen hij zei, daar loopt een lijn stopte ik subiet met ophalen. Ik wilde mijn cover nog niet opgeven. Nu hadden ze wel enig idee waar ik zou kunnen zitten. Min of meer mijn richting op kwam er nu allerlei stoere praat. Ook dachten ze mij te kunnen zien zitten. Hij heeft witte laarzen aan zie je dat, zei er een. Ik lachte me haast dood. Wat een angsthazen.
Ik ben ervan overtuigd dat ze me al die tijd niet gezien hebben. Camouflage werkt dus wel degelijk. Die jochies heb ik niet meer teruggezien. M’n avond was goed begonnen.
Dat jaar 1991 wist ik nog twee karpers op de Zilverkamp te vangen. Eentje sneuvelde er wederom op bonen. Deze kleine karper van 39 cm was perfect gehaakt. Het kan dus wel! Opgemerkt dient te worden dat het systeem lichtelijk veranderd was door de loodhagel 33 cm van de haak af te zetten in plaats van de gebruikelijke 5 à 10 cm. De laatste karper sneuvelde op een keiharde chocolatmalt/benco boilie gevist met vastlood en een slappe lijn. Deze schubkarper was 71 cm lang.
Tonny Buijs




