De Nostalgie Factor

Eerder in twee delen verschenen in de Beet van Maart 2026 en …

Regelmatig krijg ik aan de waterkant vragende blikken wanneer collega vissers mijn hengels zien. Doorgewinterde oude rotten, met nog iets meer jaren op de teller dan ik, herkennen de hengels direct en vragen zich af waarom ik met dat antieke spul vis. De jongere garde kan de hengels niet thuisbrengen. Zij zien wat vreemds en in het beste geval denken ze dat het een Hexagraph is (waarover later meer). Dus ja, dan leg ik uit dat ik met splitcane bamboehengels vis.
Dat ik oude hengels gebruik wil overigens niet zeggen dat ook mijn methodes uit de Romantische karperperiode stammen (denk hierbij aan de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw). De laatste meter van mijn lijn is zeer zeker modern te noemen.
Over deze schijnbare tegenstelling gaat dit artikel. Ik begin met een verklaring voor mijn hengelkeuze, vervolg met de ontwikkeling van mijn aasaanbieding en sluit af met een stukje praktijk.

Diverse bijna antieke Richard Walker splitcane MKIV’s

De basis
Ik heb mazzel gehad met het moment waarop ik op karper begon te vissen. Dat was begin jaren ’80. Zodoende hengelde ik een tijdje in het pre-boilie tijdperk en kwam vervolgens al snel in de hair-rig revolutie terecht. Naast vissen was en is lezen een grote hobby van mij. Voor de grote omwenteling was er op leesgebied niets interessanter dan te kunnen zwelgen in het mythische en legendarische Redmire Pool. Man, wat hebben de avonturen die zich daar afspeelden, beleefd door leden van de Carp Catchers’ Club, en iets later Jack Hilton, een indruk op me gemaakt. En niet alleen dat, daar ligt de basis voor de visser die ik ben.
Eén naam van een schrijvende visser uit de Romantische periode verdient aparte vermelding. Misschien is het wel de grootste naam op hengelgebied ooit. Zeer zeker is het de naam van het bekendste lid van de Carp Catchers’ Club: Richard Walker. De beste man verbrak in Redmire het staande karperrecord met een schubkarper van 44 lbs, later Clarissa gedoopt. Wat hij heeft betekend voor het vissen, en zeker niet alleen op karpergebied, valt niet te overschatten. Met de door hem in het begin van de jaren ’50 ontworpen splitcane hengels vis ik nu. Het gaat om de MK IV van 1,5 lbs en zijn lichtere broertje de MK IV Avon van 1,0 lbs. Beide zijn tien voeters (al zijn er uitzonderingen). Dit waren de eerste speciaal voor de karpervisserij ontwikkelde hengels.

“As an example of what is involved in rod-design, let me tell the story of the evolution of the Mk. IV Carp rod and its brother the Mk. IV Avon. Shortly after the war, “B.B.”(Denys Watkins-Pitchford) and I came to the conclusion that no rod was made professionally that had not serious shortcomings for catching big carp. We took our problem to the late A. Courtney Williams, then managing director of Messrs. Allcocks, who pointed out that the market for a carp-rod was too small to justify his firm designing and producing one. He sent me a quantity of choice bamboo and the suggestion that I make my own.
I built in succession four rods, each of which was tested for at least a season by “B.B.” and Peter Thomas, and later by Maurice Ingham and other members of the Carpcatchers Club. The fourth attempt was found satisfactory and was called the Mk. IV. It is now used by every member of the club and by a great many other anglers too, many of whom have built their own. It has to its credit the record carp of 44 pounds, as well as nine other upwards of 20lb. in weight, and it has also accounted for salmon and pike over 20lb.
It took six years to get it right, because it was only after making and trying several rods that we knew what we really wanted, and how to produce it. But how different it was with the Mk. IV Avon! This rod was designed to meet requests from friends who wanted a rod with the casting-action and curvature of the Mk. IV, but suitable for lighter tackle used in fishing for big chub, tench and perch; in long-distance ledgering for reservoir roach and in spinning for Thames trout.
Ten minutes of calculation gave the dimensions for the new rod. It was made, and its test-curve proved exactly the figure at which we aimed. That is what happens in designing rods.”


RICHARD WALKER



Walker zelf bouwde een klein aantal van deze hengels voor hemzelf en voor zijn vrienden, waarmee zij o.a. Redmire Pool onveilig maakten. De firma Bruce & Walker heeft later de hengels groot gemaakt en er daarna ook een zeer populaire glasvezelversie van op de markt gebracht. Voor de volledigheid: ook de firma Hardy heeft met Walkers instemming vergelijkbare splitcane MK IV’s en MK IV Avons uitgebracht. Hun aantal valt echter in het niet bij dat van Bruce & Walker.

Begin jaren ’80 verschenen er karperboeken van de hand van Chris Yates, Rod Hutchinson en Kevin Maddocks. En zij allen zijn verenigd in het indrukwekkende werk Redmire Pool van Kevin Clifford en Len Arbery. Van genoemde schrijvende vissers spreekt Chris Yates me het meest aan. En hier komen twee zaken mooi samen: Yates heeft het vissen met de splitcane hengels van Walker namelijk altijd omarmd. Waarom dan specifiek Yates? Hij was de meest excentrieke van het stel en qua schrijven de meest getalenteerde. Hij was net zo fanatiek als de andere vissers maar wars van alle moderne techniek. Over het vissen met een hair-rig schreef hij bijvoorbeeld: “A baited hook is deception, but an un-baited hook is, in my view, betrayal”. Hij beschouwt het vissen met een hair-rig als onsportief. En ook geen Optonics en boilies voor de man die het liefst sluipend achter zijn prooi aanging. Slechts gewapend met zijn oude splitcane hengel, de haak voorzien van een paar maiskorrels en een welgemikte worp, wist juist hij “The Bishop” te vangen, waarmee hij Walkers record verpulverde. Het is nauwelijks voor te stellen dat hij hiervoor een Avon gebruikte. En niet zo maar een Avon, deze was door Richard Walker eigenhandig gebouwd.
Maar goed, we hadden een revolutie en de naam die daar het best bij past is die van Kevin Maddocks. Het beeld dat ik bij hem heb, is er een van een zeer efficiënte en effectieve visser. Ook hij heeft mijn visserij in grote mate beïnvloed.

Samenvattend: Yates leerde me “How to fish?” en Maddocks “How to catch?”. Hiermee is ook de schijnbare tegenstelling verklaard. Ik vis met de favoriete hengels van de een en gebruik de methoden van de ander. Voor mij het beste uit twee werelden.

Mijn Redmire Pool

Hengels
Ik denk dat ik Chris Yates’ hele oeuvre heb gelezen. Hij is altijd met splitcane blijven vissen en zonder er speciaal reclame voor te hebben gemaakt, is hij natuurlijk door zijn schrijven wel de grootste ambassadeur van dit soort hengels geworden. Yates, mijn grote idool, viste met bamboe. Het kon daarom niet uitblijven dat ik, ooit, ook een splitcane hengel ter hand zou nemen. Dat heeft overigens nog best lang geduurd.

Mijn eerste karperhengel was een Shakespeare telescopische vaste hengel waarvan ik de top een stuk had ingekort, zodat ik een wat krachtiger stok van bijna elf voet over hield. Deze blank voorzag ik van een kurken handvat en een tiental hardverchroomde ogen. Het resultaat zag er best gelikt uit. De transportlengte, want inschuiven lukte natuurlijk niet meer, was in zoverre geen probleem aangezien ik op de fiets met de hengel in de hand naar de waterkant kon.
Hierna volgde een Alan Brown glashengel van 1,5 lbs. Een hengel die veel leek op de Bruce & Walker MK IV glashengels, die de meeste van mijn vrienden hadden. Het klinkt misschien vreemd maar als je, zoals ik, Kevin Maddocks als antagonist van Chris Yates ziet, dan zou je niet verwachten dat ik hierna twee Maddocks hengels zou aanschaffen. Zoals gezegd bewonder ik Maddocks om zijn effectieve manier van vissen en zijn methodische aanpak om te vangen. Zijn hengels waren van carbon en dit stijvere materiaal stond op dat moment een stukje hoger in aanzien dan glas en niet geheel ten onrechte.

Mijn Redmire Pool

De laatste karperhengel was weer een zelfbouw. Hes van Zweden in Arnhem stopte als hengelsportzaak en hield uitverkoop. Terugkijkend was dat toch een bijzondere winkel. Bij “Adje” (wie kent hem niet?) kocht ik destijds een Hexagraph blank vervaardigd door Bruce & Walker. Normale prijs zeshonderd gulden en nu in de uitverkoop driehonderd (ongeveer 135,- Euro). De blank bouwde ik af met een volledig kurken handvat en hardverchroomde ogen, zoals een hengel er in mijn ogen uit behoort te zien. Zodra deze gereed was, bleken alle andere hengels overbodig. Met zijn 1 5/8 lbs ontpopte deze zich als een beul van een hengel. Zijn testcurve deed niet vermoeden dat ik zóveel kracht op een karper kon uitoefenen. Voor die tijd grote karpers lagen in sneltreinvaart in mijn net. Chris Yates heeft ook eens met een Hexagraph gevist. Hij schreef daarover: “I’ve even tried the ‘mock split cane’ that is solid hexagraph carbon”. Zonder daar overigens een oordeel over te vellen.

Een Lauw

De verklaring die voor de extra kracht gegeven werd, was de bouwwijze. Een Hexagraph is gebouwd van zes taps toelopende driehoekige carbon strips die na verlijmd te zijn een massief geheel vormen en zal om deze reden tijdens een dril niet vervormen. Dit in tegenstelling tot holle glas- en carbonhengels die tijdens belasting ovaal worden en daarmee kracht verliezen. Ik ben geen ingenieur dus ik zou er mijn hand niet voor in het vuur willen steken maar weet wel dat het mijn lievelingshengel was. De bouwwijze is, afgezien van het basismateriaal, identiek aan die van een splitcane hengel. Ja, die overeenkomst was me niet ontgaan.

Na de pauze
Ik schat dat ik op een gegeven moment zo’n twaalf jaar niet gevist had. Daarna ben ik op een soort van Chris Yates manier weer begonnen. Mijn Hexagraph, een schepnet, wat reservespullen en een zakje boilies vormden mijn hele uitrusting. Tijdens het uitlaten van mijn IJslandse herder voerde ik een paar stekken aan die een paar uur later werden afgevist. Mijn uurgemiddelde per karper was nog nooit zo goed geweest evenals de gemiddelde lengte en het gewicht. Er bleek veel veranderd in die twaalf jaar. Toch boeide het karpervissen me niet meer zo als voorheen. Een vismaat, in vroegere tijd ook een verwoed karpervisser, had zich toegelegd op zeelt. En hij inspireerde mij om zeeltvisser te worden. Exit Hexagraph…. ik moest opzoek naar lichtere hengels.
De nestor van de Nederlandse sportvisserij is ongetwijfeld Jan Schreiner. Iemand met een heel eigen visie op het sportief hengelen. Zijn filosofie uit zich ook in de door hem ontwikkelde Fair Play hengels. Naarmate ik ouder werd, ontdekte ik dat mensen die vasthouden aan eigen principes, en een eigen kijk op zaken hebben, uitermate schaars zijn. Alleen daarom al wilde ik een Schreinerhengel toevoegen aan mijn arsenaal. Het werd een 0,75 lbs zware en ruim twaalf voet lange carbonhengel genaamd de Lauw. En wat een mooie hengel is dat! Voor penvissen zeer geschikt en hij gaat soepel krom als een hoepel. Maar totaal ongeschikt om er vastlood- of methodfeedersystemen mee te gebruiken.

Zeeltwater

Toevallig zag ik op Ebay een splitcane MK IV te koop en dacht: waarom ook niet? Die hengel is immers ook zeskantig en met die vorm had ik goede ervaring opgedaan. De grootste zeelt die ik in gedachten had, zou ik met zijn testcurve zeker kunnen landen. Daarbij, met deze hengel kon ik mijn held Yates en het Romantische Redmire tijdperk het dichtst benaderen. En ik schatte zo in dat ik er vast met moderne loodsystemen mee zou kunnen vissen.
De aankoop was geen succes. Aankomend bij het water zag ik een twintigponds schubkarper over de aangevoerde ondiepe stek scharrelen; een mooie vis om de hengel mee in te wijden. Helaas, tijdens het doorvoeren van de gevlochten lijn door de ogen knapte deze zonder onder spanning te hebben gestaan. Zonder druk toch kats doormidden. Dit gebeurde ook de tweede keer. Bij nadere inspectie van de ogen bleken deze diep ingesneden te zijn en daar sneed de lijn op door. Hoe dan? Okee, dan zak je even door de grond. Is de hengel weggegooid geld geweest? Wellicht. Maar er zwom een hongerige karper die gevangen diende te worden. Ik haalde thuis de Hexagraph en tien minuten later lag de schub op de kant. Het was een mooie eerste vis geweest.

de ingesleten ogen

Via Internet kocht ik in Engeland bij betrouwbaar ogende handelaren andere MK IV’s en MK IV Avons. Met deze hengels was niets mis. De eerste “miskoop” bleef echter werkloos in de kamer staan. En wat doe je dan? Oude hengels in perfecte staat zijn doorgaans het meeste waard. Hoe ouder, hoe perfecter en origineler, hoe duurder. Wanneer ik mijn miskoop origineel zou houden, dan zou ik er nooit mee kunnen vissen. Er is echter ook een andere gedachtegang mogelijk. Wanneer je van mijn leeftijd bent dan ervaar je dat er maar weinigen zijn die ongeschonden door het leven zijn gekomen. Een ieder heeft zijn eigen verhaal. Waarom zou dat voor een hengel anders zijn? En zolang het een interessant verhaal is, waarom zou dat dan uit moeten maken voor de waarde?
Ik besloot de ogen te laten vervangen door Jan Bassez die tegenwoordig de Fair Play hengels bouwt. Dat werd een interessante ontmoeting. Nog nooit had hij zulke ingesleten hardverchroomde ogen gezien. Bij een goede kwaliteit was dat eigenlijk onmogelijk. Ook zag hij dat de hengel een nieuwe laklaag had gekregen, die was zeker geen zeventig jaar oud. Dat Bruce & Walker inferieure ogen had gebruikt leek ons onwaarschijnlijk. Kortom, deze hengel was al niet origineel meer. Het raadsel van de ingesleten ogen bleef echter. Met deze mate van slijtage was het onmogelijk vissen geweest. Jan heeft de zes verchroomde ogen netjes vervangen. Het agaten start- en top-oog konden blijven zitten. De hengel is nu gebruiksklaar en er is een hoofdstuk aan zijn bestaan toegevoegd. Mocht je overwegen een oude splitcane hengel te kopen dan is het goed te beseffen dat er wat addertjes onder het gras (kunnen) zitten.
Nu we het toch over waardes hebben: de door Walker zelf gebouwde hengels (rond de honderd stuks volgens zijn biografie, andere bronnen hebben het over hooguit tien) zijn vanzelfsprekend het duurst. Daarna komt de eerste oplage die door Bruce & Walker werd geïntroduceerd. Deze oplage is te herkennen aan de met de hand gezette handtekening van Richard Walker boven het handvat. Je weet dus zeker dat hij die hengel in handen heeft gehad! Hier gaat het hooguit om tientallen exemplaren, waarvan de Avons een zeer klein deel vormen. Dat maakt de hengels dus min of meer uniek.

Tussenwikkelingen op een Bruce & Walker splitcane MKIV Avon
Splitcane Hardy MKIV Avon Richard Walker dus zonder tussenwikkelingen

Je zou denken dat de hengels die daarna komen onderling niet zullen verschillen. Toch is dat aan de prijs niet te zien. Hengels uit de beginperiode zijn duidelijk duurder; deskundigen kunnen die hengels aan details herkennen. Volgens mij zijn er voor het prijsverschil twee redenen maar als iemand het beter weet, laat het me dan vooral weten. De eerste is dat de blanks die Bruce & Walker in het begin gebruikte, gebouwd werden door Bob Southwell en deze man blijkt buitengewoon kundig te zijn geweest en heeft onder zijn eigen naam ook MK IV’s gebouwd. De tweede is dat de kwaliteit van het gebruikte bamboe in de loop der jaren afnam. Het goede bamboe raakte op. Het schijnt dat latere hengels na een zware dril krom konden blijven staan… Wellicht is dat één van de redenen dat glasvezelhengels destijds de markt hebben overgenomen.

Een handtekening gezet door Richard Walker zelf. Hengel uit de eerste serie commercieel uitgebrachte MKIV-hengels.
Een vroege Bruce & Walker splitcane MKIV
De Hardy MKIV Avon Richard Walker




Bruce & Walker splitcane MK IV
Als er een MK IV is dan zullen er ook een I, II en III zijn geweest en dat klopt. Van de MK III bestaat nog één exemplaar. De beide andere zijn voor altijd verloren gegaan. De MK IV is Walkers meesterwerk.

Waarom zou je heden ten dage met splitcane vissen? Met de woorden van Yates: “For me, cane is to fibreglass what a fountain-pen is to a biro. The fountain-pen has so much more character; in fact, it can take on the character of the user; it also has more ‘feel’”. Opvallend genoeg gaat hij niet zover om een vergelijking aan te gaan met een ganzenveer…, maar vergelijkt hij een splitcane hengel met een vulpen en een glashengel met een balpen. Een vulpen heeft meer karakter en daar kan ik me in vinden. Mijn MK IV’s hebben zelfs onderling een eigen karakter; bamboe blijft immers een natuurproduct. Feel is wat lastiger uit te leggen. Met name mijn Avon heeft veel feel. Eenmaal in de hand voelt deze als een verlengstuk van mijn lichaam. Zowel met het werpen van een licht gewicht als het drillen van een, hopelijk, zware vis. Je voelt wat de hengel doet en kan. Hengel en visser zijn een.

MKIV Avon Bruce James London startoog van agaat
Atypisch kleur oog en kleur wikkeling van een vroege MKIV
Hardy MKIV Avon Richard Walker hardverchroomd startoog

De twee meest in het oog springende en onderscheidende kenmerken van een Bruce & Walker Mark IV zijn de wikkelingen tussen de ogen en het roodbruine agaten start- en topoog. Dit geldt zowel voor de splitcane als de glashengels (uitzonderingen daargelaten). De andere ogen zijn hardverchroomd. Verder zijn ze voorzien van een roodbruine (soms zwarte) cone en twee losse reelringen.
De tussenwikkelingen hebben geen bouwtechnische functie. Het zal een marketingdingetje zijn geweest en ik denk dat dit bijzonder goed geslaagd is. De hengels zijn een streling voor het oog. Grappig om te weten dat Richard Walker zelf tegen (in elk geval niet persé voor) het gebruik van deze wikkelingen was, en dat de Hardy MK IV’s deze wikkelingen niet hebben. Hij zegt daar zelf over: “With well-made split cane, cemented with urea-formaldehyde, intermediate whippings are quite unnecessary, but on any rod a few neat rings of coloured silk just above the handle improve the appearance”.

Lang geleden

Het gebruik van de tussenwikkelingen moet de hengels duurder hebben gemaakt. Het is immers tijdsintensief om ze aan te brengen. De Maddocks hengels die ik in de jaren ’80 kocht zagen er ook anders uit dan tot dan toe gebruikelijk. Een handgreep, uit twee delen, van foam en één-poots ogen. Dit zal ook uit marketing overwegingen zijn gebeurd. Alleen maakte dit de hengel om te produceren ongetwijfeld goedkoper. Het scheelt de helft aan wikkelingen en die stukjes foam zijn allicht goedkoper dan een vol kurken handvat. Destijds heb ik dat niet zo bekeken. Ik weet wel dat mijn startoog al snel los kwam.
Ik durf te stellen dat een splitcane MK IV een kwaliteitshengel was en is.

MKIV Avon Bruce James London cone
Hardy MKIV Avon Richard Walker einde handvat; een cone oogt een stuk smaakvoller

Moderne methoden
Ik gebruik gevlochten lijnen en dat gaat perfect samen met de zachte hengels die ik hanteer. Sterker nog, ik denk dat de zachtheid van een MK IV in combinatie met de rek in nylon lijn vroeger voor veel slecht gezette haken zorgde met als gevolg daarvan losschieters. Herinner je je de Maxima Chameleon lijn nog? Die was nog net niet van elastiek. Moet je je voorstellen dat je op een afstand van twintig meter met deze combinatie een haak uit een gekookte aardappel moest slaan.
Daar heb je met moderne lijnen zonder rek en een kale haak geen last meer van. De demping van de zachte hengel zorgt er wel voor dat haken minder snel zullen uitscheuren of anderszins loskomen. Deze oud – nieuw combinatie is wat mij betreft sowieso een win – win.

gele lis

Ik begon interesse in het vissen terug te krijgen door te gaan struinen. Een penhengel, schepnet, aas en wat reservespullen, meer had ik niet nodig. Al gauw sloop het statisch vissen er weer in. Het doel was het vangen van grote zeelt en dat vroeg om een andere aanpak, met name om meer uren aan de waterkant. Ik kende natuurlijk de rigs uit het boek Carpfever van Maddocks en de andere wat later ontwikkelde rigs uit die periode, en viste daar ook mee zonder me er echt in te verdiepen. Ik deed maar wat en, een beetje gechargeerd gesteld, zolang je er in de beginjaren een boilie aanhing, dan ving je wel.
Wijzer geworden besloot ik het wat gestructureerder aan te pakken. Ik bevis onder andere een relatief makkelijk zeeltwater waar ik naar hartenlust kan experimenteren. Ik vis op een stek waarvan ik weet wat ik er kan verwachten en vis dan twee hengels tegen elkaar. De één zus, de ander zo. De resultaten hiervan gebruik ik vervolgens om met vertrouwen op moeilijker water aan de gang te gaan.
Het zit namelijk zo: door boeken te lezen van o.a. Alijn Danau en Terry Hearn (ongekend niveau qua fanatisme) zag ik hoe ontzettend effectief zij vissen. Een aanbeet resulteert doorgaans in een gevangen vis. Het zal geen 100% zijn, maar de cijfers die ik kon overleggen sloegen daarbij vergeleken helemaal nergens op. Ik kreeg aanbeten genoeg maar vissen haakten zich vaak niet op de zelfhaakmethoden die ik gebruikte, of schoten verhoudingsgewijs vaak los. Stap voor stap probeerde ik deze problemen te ondervangen.
Allereerst moest ik zorgen voor een visvriendelijk systeem. Met alles wat er heden ten dage te koop is, was dat een eitje. Daarna begon ik gewoon van voren af aan. Vast lood, onderlijntje, boilie met hair in de haakbocht. Dat ving maar niet van harte, veel vissen die zich niet haakten.

Resultaat

Volgende: vast lood, onderlijntje, boilie met hair op de haaksteel ter hoogte van de haakpunt. Wauw. Dat leverde de helft meer vissen op.
Daarna: vast lood, onderlijntje, boilie met hair op de haaksteel ter hoogte van de haakpunt plus een line-aligner. Hoppa, dit leverde alweer meer vis op. Het begon zowaar ergens op te lijken.
Ik besef dat dit voor de meesten gesneden koek zal zijn. Voor mij, door het zelf te ervaren, was het toch een eye-opener en het gaf me het gevoel op de goede weg te zijn.

Waar ik ook mee geëxperimenteerd heb, is een liggende boilie versus een pop-up. Mijn zeelten vang ik bijna allemaal op liggende boilies en dit gebeurt op twee verschillende wateren. En het rare is dat andere zeeltvissers heel goed vangen met pop-ups…
Op een gegeven moment verving ik het vaste lood door een methodfeeder. Een voordeel van de methodfeeder is dat de aasaanbieding beter is zodra de planten in het voorjaar beginnen te groeien. Het haakaas raakt minder snel verstrikt in de planten. Ik durf echter geen uitspraak te doen of ik door het inzetten van The Method meer gevangen heb.
Waar ik wel vertrouwen in heb is het gebruik van leadcore. Ik gebruik stretch attack van PB. In mijn makkelijke zeeltwater ving ik vaak als eerste of laatste vis een karper. De eerste keer dat ik die leadcore gebruikte ving ik ineens drie karpers door de zeelten heen. Ik ga ervan uit dat dit geen toeval is geweest. Dat zeker de eerste meter van mijn lijn over de bodem loopt is geen nadeel gebleken.

vergeet mij niet

Nog een paar dingetjes. Het gebruik van leadcore in combinatie met een methodfeeder is blijkbaar niet standaard. Om de methodfeeder vast te zetten op de leadcore (om deze als vastlood te gebruiken), gebruik ik als stuitje een stukje siliconenslang die ik met een simpele dubbele knoop vastzet. De feeder kan dan niet schuiven. Echter, ik heb gemerkt dat tijdens de dril het siliconen stuitje bijna altijd opschuift, en ik denk dat dit een voordeel is. Doordat het lood nu niet meer vast zit, en zodoende geen directe druk meer op de haak kan uitoefenen wanneer het heen en weer vliegt als een zeelt met de kop schudt, zul je in theorie minder losschieters moeten krijgen. Nogmaals, ik ben geen ingenieur en weet niet precies hoe die krachten op elkaar inwerken. Het lijkt mij echter logisch.

Omdat ik een hekel heb aan onderlijnen knopen (denk aan dikke vingers en slechter wordende ogen), gebruik ik vaak kant en klare onderlijnen. En zie daar, de ontwikkeling die ik net schetste, zie je in bijna alle aangeboden onderlijnen terug. Ik heb er diverse onder mijn methodfeeder gehangen en kan niet anders zeggen dan dat ze haken als een dolle. Wel zijn de haakpunten snel bot. Sneller dan bij de haken die ik gebruik bij mijn eigen onderlijnen. De gouden tip die ik wil meegeven: vervang je haken bijtijds. Tja, wat is dan bijtijds? Bij gekochte onderlijnen was de haakpunt soms al krom na een gevangen vis. Vervangen van een onderlijn wordt zo een dure aangelegenheid. Als je de discipline kan opbrengen zou ik zeker na twee of drie gevangen vissen de haak vervangen en na een losschieter direct.
Zit ik nu op het niveau van Alijn Danau of Terry Hearn (ja, ik heb de literatuur bijgehouden)? Zeker niet. Maar ik vis een stuk efficiënter en heb nu ook het vertrouwen om op moeilijker water mijn hengels te laten liggen.

Succes

De praktijk
Een doel van mijn visserij is het vangen van een zeelt groter dan zestig centimeter. En die vechten best hard. Zeker als er rekening gehouden moet worden met planten, en dat is bij zeelt eigenlijk altijd het geval. Een 1,5 lbs hengel is daarom geen overbodige luxe. Dat je als gevolg daarvan aan kleinere zeelten minder sport beleeft is een gegeven. De vis van je leven verspelen door het inzetten van te licht materiaal is voor mij geen optie. In het plantenloze voorjaar echter is een Avon voor mij de perfecte hengel. Omdat ik toch niet ver van de kant vis, kan ik zelfs op de Avon een methodfeeder van 45 gram gebruiken. Een onderhands worpje is voor mijn visserij meestal voldoende.
De echte gevechten, die waarbij het uiterste van de hengels gevraagd wordt, vinden plaats wanneer een karper wordt gehaakt. Twee van deze ontmoetingen staan in mijn geheugen gegrift.
Ik ben zo iemand waarvan de hengels tot het allerlaatst blijven vissen. Als de rest van het materiaal al in de auto ligt behoud ik een kans op vis. Het kan dus niet anders dan dat ik weleens een aanbeet krijg wanneer ik bij de auto ben. Sterker nog: dat gebeurt vaker dan statistisch waarschijnlijk is. Zo ook vandaag. Een langgerekte toon klinkt plots uit de diepte, een toon die blijft aanhouden, een fluiter. Dat is geen zeelt, en terwijl ik de trap naar het water af vlieg bereid ik me voor op een hard gevecht met vriend karper. De spoel blijft tollen en ik zie de hengel half gebogen in de steunen dansen. De top wijst richting de overhangende struiken aan de overkant. Ben ik al te laat? Een hand op de spoel laat de hengel zijn gevechtscurve aannemen. Als de druk te groot wordt, laat ik de spoel onder mijn vingers slippen. Door de toegenomen druk komt de karper omhoog. Nog voor de struiken. De eerste slag is binnen.
Dit water is omzoomd met plompenbladen. De kans is 100% dat die een uitdaging gaan vormen, vroeg of laat komt er een schot doorheen. De strategie is de strijd op open water te beslechten. Was het maar zo simpel. Ik bevind me op de Kop, een stek die bovenop de ene zijde van de vergane sluismuur ligt. Recht aan de overkant is de andere zijde. Daartussen is het een oorlogszone. Eeuwen geleden brak op de plek van de sluis de dijk door. De kolkende watermassa schiep vervolgens het wiel waar ik nu strijd lever. Niemand weet waar in het oude sluisgedeelte zich de obstakels bevinden. Maar ik weet wel dat ik niet anders kan dan de karper hier naar toe te loodsen. Recht op het gevaar af. Een schot voor me de diepte in en de lijn wordt op de muur doorgesneden. Een harde dril is onontkoombaar.
Voel ik de kurken onder mijn handen buigen? Ja, zo krom kan de hengel dus. De karper blijft in de bovenste meters van het heldere water vechten. Ik sta aan het uiteinde van de Kop. Direct voor me staat zeker drie meter water. Een kabbel verstoort het oppervlak. De zon tovert met zilver licht. Een gouden schim schokt zich voort als de slip dan weer snel dan weer langzaam tikt. Het is een schubkarper, een lange schubkarper. Nu koerst de vis van rechts naar links door de sluis. De zeventig jaar oude hengel als een hoepel zo rond. De hengelaar met een brede lach, en de zon in zijn gelaat. Beter wordt het niet. Er wordt geen lijn meer genomen noch gewonnen. Verder naar links lonkt open water. Voor mij zou dit een iets betere positie betekenen. Ik kan de slip losser zetten en op een ander speelveld de strijd beslissen. Jammer, de karper draait. Ik kan wat meters winnen, maar ontegenzeggelijk verplaatst de lijn zich van links naar rechts. We gaan de sluis weer door. Gelukkig wel hoger in het water. De grootte van de karper laat zich beter schatten en wellicht had ik dat beter niet geweten. Een lange torpedo, the four foot common? Nee, die zeker niet. Het is wel een enorme bak. Het besef daalt in dat het nog lang niet gedaan is, en dat dit een vis is die je absoluut op de kant wilt hebben.
De slip begint weer te tikken. Sneller en sneller. De bak ploegt zich vastberaden evenwijdig aan de oever door de plompen. Dat moest gebeuren. Plots schiet de lijn naar links. Plompenbladen hangen voor ze loskomen boven water aan de lijn. Ping, Ping, Ping, we zijn weer in open water. Gedwee komt de karper naar me toe. Het hoofd erbij houden en je bent de mijne. Het net gaat te water, midden tussen de plompen. Als ik mijn arm strek, reikt het net bijna voorbij de plompenrand. Bijna. Met gestrekte arm heb ik nauwelijks controle. Het zal nog spannend worden. Wees bedacht op dat allerlaatste schot… en dat laatste plompenblaadje. De hengeltop bevindt zich ver voorbij mijn schouder; de karperbek bijna aan de rand van het net. Tergend langzaam komt hij en dan valt alles stil. Het zal toch niet? Ja, dat laatste blaadje. Een barrière die geen barrière zou moeten zijn. De hengel verder naar achter bewegen lukt niet. De lijn moet korter voordat ik meer druk kan uitoefenen. Ik laat de schepnetsteel los en draai de molenhendel een paar slagen. De lucht happende bek verplaatst zich niet, de lijn vast hangend in het blad bij de overgang naar de bladsteel. In opperste concentratie verstrijkt de tijd in slow-motion. De hengel buigt zich dieper als ik deze weer richting schouder breng. De spanning op het blad wordt groter. Er komt beweging. Ik duw de voorkant van het net dieper onder water. De kop van de vis bevindt zich inmiddels over de rand. Ik heb een kans om dit goed te doen. Voortijdig het net omhoog brengen zonder dat ik kracht kan zetten en de vis zou terug glijden het water in.
Eindelijk nadert hij het spreidersblok. Met een uiterste krachtsinspanning krijg ik het net een paar centimeter boven water. De vis glijdt erin met staart en al en ik ben een mooie herinnering rijker. Het was een gevecht op het scherpst van de snede en het mooie is: de hengel is nog steeds recht.

Een ander gevecht vond plaats in een water dat geen karper zou bevatten. Het is een water zonder gevaarlijke obstakels, behoudens de zomerse dichte plantengroei. Er stond op dat moment al heel wat waterpest, echter nog niet in die mate dat ik voor zeelt de slip helemaal dicht hoefde te draaien.
De avond was opvallend donker en het tijdstip naderde waarop ik normaal gesproken beet kreeg. Zo ook nu. De Delkim piepte een vastberaden aanbeet. In een mum had ik de hengel in de hand en wachtte ik op de kracht van de tegenstander. Die was om te beginnen niet groot. Een zeelt, dat zeer zeker. Langzaam veranderde het beeld in een grote zeelt en de hoop op een zestiger vlamde op. Algauw moest ik dit beeld loslaten. Karper, kon niet anders. De weerstand bleef echter maar toenemen. De slip mocht echt wel een slag dichter voor meer controle. Het beeld karper veranderde ondertussen in grote karper. Na twintig minuten en de hengel regelmatig krom tot onder het kurk vatte de gedachte plaats: Wat is dit in hemelsnaam? En, laat dit er geen worden voor het mapje The ones that got away. Voor dit soort drils doe je het natuurlijk, al helemaal als je schietgebedjes gaat doen van please please laat deze niet losschieten. Uiteindelijk, na een half uur, lag de vis in het net. Een karper, een puntgave torpedo en niet eens zo groot. De herinnering echter, meer dan groots.
Trouwens, het was de eerste keer dat ik een shot-on-the-hook gebruikte. En de hengel? Nog steeds recht.

Splitcane, antiek en ouderwets?
Tja dat dacht ik. Niets is echter minder waar. Er zijn nog steeds hengelbouwers die splitcane gebruiken. En er is zeker een categorie (snobistische?) vissers, aanbidders van Izaak Walton, die ermee aan de waterkant vertoeven.

Walker was als hengelbouwer ongekend, schreef ik eerder. Zijn Mark IV wordt nog steeds gebouwd. Wat ik echter ook ontdekte is dat Chris Yates heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van een aantal splitcane hengels.
Er bestaan wereldwijd befaamde koppels. Denk aan duo’s als Lennon – McCartney en Portnoy – Petrucci. Personen die samen uitstijgen boven de som der delen. Een vergelijkbaar koppel is Yates – Barder. De samenwerking tussen de visser Chris Yates en de hengelbouwer Edward Barder heeft splitcane hengels opgeleverd van uitzonderlijke klasse (Yates gebruikt ze ook in de serie A Passion for Angling). Een Ferrari onder de hengels? Nou nee, ik denk dat het gepaster zou zijn om te spreken van een Bentley of Rolls Royce. Hengels die een zodanige schoonheid, perfectie en klasse uitstralen dat je er haast niet mee durft te vissen. Ik heb enorme bewondering voor mensen die met hun handen iets buitengewoons kunnen creëren. Perfectie is voorbehouden aan God zeggen ze. Zou Barder dat ook weten? Ik heb zijn meesterstukken mogen aanschouwen en vasthouden.

Met de splitcane Mark IV’s kon ik het dichtst bij Richard Walker komen. Met de Barder splitcane hengels kan ik het dichtst bij Chris Yates zijn ideeën komen. Daar is alleen een schip met geld voor nodig.

Tonny Buijs